Archief wetenschappelijke artikelen GZ-psychologie
Via dit online archief kunnen abonnees de artikelen uit GZ-psychologie raadplegen. Ook is het mogelijk om in het archief te zoeken op trefwoord.
Adoptie-alerte hulpverlening: praktijk en casuïstiek
‘Als P-opleider ben je vooral ook een troubleshooter’
‘Ik zou willen dat gz-psychologen voor de hele markt worden opgeleid, en niet voor de instelling waar ze toevallig al werkzaam zijn.’ Aan het woord is Jenneke van der Plas, praktijkopleider van de gz-opleiding binnen GGzE, Geestelijke Gezondheidszorg Eindhoven en de Kempen, en voorzitter van het landelijke P-opleidersoverleg.
Bezuiniging: samen werken, niet samen vechten!
Uitkomstonderzoek en mechanismen van verandering: twee handen op één buik?
Kennismaken: emotionally focused therapy
Work in progress
Advies: jaarlijks 960 nieuwe piogs
Op weg naar DSM-5
Naar verwachting zal in 2013 de DSM-IV plaatsmaken voor de DSM-5. Op de studiedag ‘McDD en de verkenning binnen de grenzen van ASS’ – op 24 november 2010 georganiseerd door Benecke - ging prof. dr. R.J van der Gaag in op de geschiedenis van de DSM, de verdiensten en beperkingen ervan en de belangrijkste veranderingen, zoals het verdwijnen van de subcategorieën binnen de autismespectrumstoornissen (ASS).
‘Ziekenhuizen zouden meer gz-psychologen in dienst moeten nemen’
‘Psychose is een gestigmatiseerde aandoening, niemand loopt te koop met de symptomen’
Hoogleraar Klinische psychologie Mark van der Gaag startte vier jaar geleden een onderzoek naar het effect van preventieve cognitieve gedragstherapie (pCGT) op het voorkómen van psychosen. Een enorm project, waar ruim 200 patiënten met subklinische psychotische klachten aan meededen. De behandeling lijkt nu haar vruchten af te werpen. Het aantal mensen met een psychose is in de experimentele groep in elk geval een stuk kleiner dan in de controlegroep.
‘Etnische matching tussen cliënt en hulpverlener is niet noodzakelijk’
Strategieën voor een gezonde bedrijfscultuur
De wisselwerking tussen gedrag, brein en omgeving
Over dwang en geweld
Gz-psychologen moeten zich beter profileren
Crossnationale vergelijking depressie
Het combineren van twee parttimebanen
Als Mozes niet naar de berg komt…
Bedroefd: Gilles de la Tourette, januari 2012
Rapport over scenario’s van effecten eigen bijdrage
Psychofarmaca in de westerse eerstelijnsgezondheidszorg, december 2011
Kleding hier afgeven
Reactie op ‘Hoogbegaafdheid, het label voorbij’
Online screening en zelfhulpbehandeling voor depressie en angst: resultaten uit twee promotietrajecten
ZZP-ERS in de ggz: kans of risico?
ZZP’ers in de ggz: zegen en kwetsbaar, kans én risico. Het elan van de ZZP’ers, hun nabijheid en verantwoordelijkheidsgevoel naar cliënten toe is verfrissend en mooi om te zien. Sterk zijn ze in de eenvoud van hun procesmatig werken. Het ondernemerschap van de ZZP’er, het regelen van allerhande randvoorwaarden en het openstaan voor kwaliteitscontrole zijn zwak. Laten ZZP’ers zich ter harte nemen dat verantwoording afleggen van hun besteding van publiek geld erbij hoort.
‘Samen lunchen in de kantine, die grotendeels gerund wordt door cliënten’
Gepubliceerd in: GZ-psychologie nummer 8, december 2012
Hoe ziet de werkplek van gz-psychologen eruit? Wat voor kamer hebben ze? Met wie delen ze hem? Hoe gaan ze om met hun collega’s? In deze nieuwe rubriek laten gz-psychologen hun werkplek zien. Deze keer: Pauline Jacobs.
Behandelen in de virtuele wereld, december 2011
De techniek staat nog in de kinderschoenen, maar het behandelen van aandoeningen als angststoornissen en psychose met behulp van virtual reality komt er beslist aan. Een groot voordeel van deze vorm van therapie is dat de patiënt de ziektesymptomen vertoont in de spreekkamer. Daardoor zijn deze objectief te meten en is het gedrag van de patiënt meteen te corrigeren.
Therapeutisch psychologisch onderzoek bij mensen met persoonlijkheidsstoornissen: uitdagingen en kansen
Psychotherapie voor depressie werkt! Maar hoe?
Geen beroepserkenning voor de gz-psycholoog in Duitsland
Lerend de stress te lijf
Risicotaxatie bij relationeel geweldplegers in de praktijk: de B-SAFER
Het eerste gesprek met naastbetrokkenen: de eerste klap is een daalder waard
De Landelijke Dag Psychische Gezondheid van 2011 (10 oktober) stond in het teken van deze thematiek. De reden was dat naastbetrokkenen, als groep enorm groot in aantal, te weinig aandacht krijgen in de ggz. In dit artikel laten we zien dat ook een gz-psycholoog naasten in zijn of haar dagelijkse praktijk ‘moet’ betrekken. Een opleiding als systeemtherapeut is hierbij niet noodzakelijk. Het accent ligt op het ‘eerste gesprek’. Dat moet namelijk goed verlopen voor een adequaat vervolg.
*Naastbetrokkenen zijn alle mensen die op enige manier persoonlijk betrokken zijn (of zich voelen) bij de persoon met psychische problemen
Het ontwikkelen en invoeren van zorgprogramma’s, -paden en -trajecten in een centrum voor kinder- en jeugdpsychiatrie, november 2011
Boos en blij: loyaliteit
Gz-psychologen en het ziektemodel
Over de culturele kip en het professionele ei, november 2011
Goede diagnose, slecht communicatie
De objectiviteit van een psychodiagnostisch onderzoek
Onvrede, september 2011
Is invoering adolescentenstrafrecht vernieuwend?
Open brief van 21-jarige cliënte Reinier van Arkel aan minister Schippers van VWS
Deze gehele dag zit ik al aan u te denken. En dat terwijl u mij niet eens kent. Dit klinkt als een romantische onbereikbare liefde. De realiteit is echter anders. Als uw plannen doorgaan, kom ik namelijk in de problemen.
Voorspellen eerste psychose (nog) niet mogelijk
Effect van cognitieve gedragstherapie bij autochtone en allochtone cliënten met angststoornissen
In totaal 46 autochtone cliënten en 19 niet-westerse allochtone cliënten met angststoornissen werden behandeld op een polikliniek die is gespecialiseerd in de behandeling van deze stoornissen. De effectiviteit van de behandelingen werd geëvalueerd met de Brief Symptom Inventory (BSI) en Outcome Questionnaire-45 (OQ-45). De vragenlijsten werden afgenomen bij de start en aan het eind van de behandeling.
Adoptie-alerte hulpverlening: achtergrond en theorie
Een kind afstaan, afgestaan worden als kind, geadopteerd worden of een kind adopteren verandert de levens van betrokkenen voorgoed. Te vondeling gelegd zijn, achtergelaten zijn bij een weeshuis, op straat geleefd hebben of door de kinderbescherming bij biologische ouders weggehaald worden zijn feiten die dikwijls in adoptiedossiers te vinden zijn. Deze of een soortgelijke start maakt geadopteerde kinderen a priori kwetsbaar (Brodzinsky & Schechter, 1990; Vinke, 1999).
Wanneer deze kwetsbaarheid wordt uiteengerafeld, valt op dat ze om een specifiek opvoedingsantwoord van adoptieouders en hulpverleners vraagt. Dikwijls met goed gevolg: zeker wanneer geadopteerden worden vergeleken met leeftijdsgenoten die in tehuizen achterbleven laten deze kinderen een opmerkelijke – en op onderdelen bijna complete – inhaalslag zien naar het niveau van niet-geadopteerde leeftijdgenoten. Dit geldt dan voor groei, gehechtheid, zelfwaardering, IQ en gedragsproblemen (Van IJzendoorn & Juffer, 2006).
Aan de andere kant laat onderzoek ook zien dat opvoeden en verzorgen van geadopteerde kinderen specifieke eisen stelt aan ouders. De inhaalslag komt niet vanzelf tot stand (Stams, Juffer & Van IJzendoorn, 2002; Bimmel, 2003). Adoptieouders zullen moeten beschikken over pedagogisch kapitaal om de specifieke opvoedings- en ontwikkelingsvragen van geadopteerden recht te doen (Vinke, 1999). Wanneer adoptieouders hulp hierbij vragen, is het zaak dat hulpverleners alert zijn op de extra dimensie die afstand en adoptie met zich kan meebrengen. Dit is een dimensie die niet alleen in de opvoeding van geadopteerde kinderen een rol speelt, maar ook doorloopt in de volwassenheid. Een adoptie-alerte houding van diagnostici en therapeuten in de eerste en tweede lijn is daarbij gewenst. In dit artikel worden enkele adoptiegerelateerde thema’s aangesneden die kunnen bijdragen aan een adoptie-alerte houding. Allereerst komen de feiten en cijfers aan bod, vervolgens is er aandacht voor risico’s en kansen en ten slotte voor verliezen en opnieuw starten.
Nieuwe kleren voor de keizer of kleden we hem uit?
Reactie op de droom van Derksen
‘E-mental health straks even gewoon als de telefoon’
Internethulpverlening is inmiddels beschikbaar bij depressies en angststoornissen en ook de opstap naar complexere aandoeningen zoals schizofrenie is een feit. E-mental health zal volgens prof. dr. Pim Cuijpers binnen 20 jaar dan ook geen issue meer zijn. Internet is in zijn visie straks één van de reguliere kanalen die de ggz inzet voor contact met en hulp aan de patiënt.
Hoogbegaafdheid: het label voorbij
H.M. de Koningin en de PvdA
Bang: seks
De Bijenkorf-zaak: een (on)betrouwbare ‘borderline’ diagnose
Wie heeft baat bij eerstelijnspsychologische behandeling?
Massaal protest tegen bezuinigingen GGZ
‘DBC’s vragen om creatief boekhouden’
Lijnenspel
De GZ-psycholoog in mijn droom
Een psychologie zonder ziel
Eerstelijnspsychologie: liefde op het eerste gezicht, april 2011
‘Zonder anderen worden we ongelukkig’, april 2011
De eerstelijnspsycholoog gaat voor leiderschap!, april 2011
De angst voor terugkeer van kanker, april 2011
Bang: De verdwenen schildpad, april 2011
MMPI-2-schalen en farmacotherapie, april 2011
Een groot deel van de patiënten die worden gescreend en behandeld door klinisch psychologen gebruikt psychofarmaca. Dit artikel bespreekt de mogelijke bijdrage van de psychologische indicatiestelling aan het besluit om psychofarmaca voor te schrijven. Verschillende MMPI-2-profielen zijn, op basis van Stahls methodologie, hypothetisch verbonden met neuronale circuits. Screening met MMPI-2 lijkt te kunnen bijdragen aan het besluitvormingsproces voor combinatietherapie. De profielen van met name patiënten met angst- of stemmingsstoornissen en met een psychotische kwetsbaarheid zijn geanalyseerd in relatie tot de gerelateerde neurotransmitters en de medicatie die het betreffende hersencircuit beïnvloedt. Het model kan tevens inzicht geven in het effect van een combinatietherapie met medicatie en een psychologische interventie. Bovendien doet het suggesties voor het type psychofarmaca dat kan worden ingezet. Dit model is een eerste stap op dit gebied en dient verder in empirisch onderzoek te worden onderzocht.
Preventie en vroeginterventie bij paniekstoornis, april 2011
Per jaar heeft ongeveer een kwart miljoen Nederlanders in de leeftijd van 18 tot 65 jaar last van een paniekstoornis. Een paniekstoornis is een psychische aandoening die de kwaliteit van leven vermindert, de kans op andere psychische stoornissen vergroot en hoge kosten met zich meebrengt. Jaarlijks gaat het om 80.000 nieuwe gevallen. Preventie en vroeginterventie bij mensen met lichte tot matige paniekklachten kan de ontwikkeling van een chronische stoornis mogelijk voorkomen. Met dit doel heeft GGNet de groepscursus ‘Geen Paniek’ ontwikkeld. De cursus is bestemd voor volwassenen van 18 tot 65 jaar die last hebben van lichte tot matige paniekklachten. De cursus bestaat uit acht bijeenkomsten onder deskundige begeleiding.
In dit artikel worden twee onderzoeken beschreven naar de effectiviteit en uitvoerbaarheid van de cursus ‘Geen paniek’. Verschillende ggz-instellingen zijn betrokken bij deze onderzoeken. Het eerste onderzoek betreft een pilotstudie onder 12 ggz-instellingen. Er namen 114 cursisten aan deel. Het tweede onderzoek betreft een gerandomiseerd onderzoek waaraan 17 ggz-instellingen deelnamen en 217 cursisten. Op grond van deze onderzoeken kan worden geconcludeerd dat de cursus effectief is in het verminderen van paniekklachten en dat de positieve effecten ook op langere termijn aanhouden. Verder blijkt dat de cursus uitvoerbaar is in een instelling voor de geestelijke gezondheidszorg en dat deze goed wordt ontvangen door de cursisten. Geconcludeerd wordt dat de cursus een eerste stap kan zijn in de stepped-care benadering binnen de ggz.
Tuchtrecht: een hele geruststelling, april 2011
Het wettelijk tuchtrecht draagt wel bij aan de professionalisering van gz-psychologen, maar het kan beter. Dat vindt psycholoog en tuchtcollegelid prof. dr. Maarten van Son, die onlangs zijn afscheidsrede hield aan de Universiteit Utrecht. ‘Gz-psychologen weten zelf soms maar weinig van tuchtrecht af.’
Geen oog dicht gedaan, maart 2011
Ingezonden brieven, maart 2011
- P. Prudon: Een tweede route naar meer eestelijns psychologen
-
W. Hilgenga: Aanvullende verzekeringen
Gepubliceerd in: GZ-psychologie nummer 2, maart 2011
EMDR: over oogbewegingen en piepjes, maart 2011
Er zijn geen klinische studies gedaan naar de effecten van piepjes. Een cruciaal onderdeel van EMDR lijkt te zijn dat tijdens het ophalen van de herinneringen het werkgeheugen (WG) wordt belast. Of, en in welke mate, oogbewegingen of piepjes het WG belasten, kan worden nagegaan met reactietijd-taken (RT-taken). In Experiment I werd inderdaad gevonden dat proefpersonen trager reageren op geluiden wanneer ze tegelijkertijd horizontale oogbewegingen maken. Kennelijk belasten die oogbewegingen het WG. In Experiment II werd gevonden dat proefpersonen niet trager reageren op visuele prikkels wanneer ze tegelijkertijd piepjes horen. Dat suggereert dat piepjes het WG niet belasten. In Experiment III werden piepjes en oogbewegingen rechtstreeks vergeleken, maar nu met een gevoeliger RT-taak. Proefpersonen moesten reageren op pijnloze elektrische prikkels. Men vertraagde ten gevolge van zowel de oogbewegingen als de piepjes. De effecten van oogbewegingen waren veel sterker, maar kennelijk belasten piepjes het WG wel een klein beetje. In Experiment IV werd nagegaan wat het effect was van piepjes en oogbewegingen op de levendigheid en emotionaliteit van aversieve herinneringen. Er werd geen effect gevonden op emotionaliteit. Vergeleken met het alleen ophalen van herinneringen (dus zonder piepjes of oogbewegingen) nam de levendigheid significant af wanneer de proefpersoon piepjes hoorden of oogbewegingen maakten. Het effect van oogbewegingen was echter aanzienlijk en significant sterker dan het effect van piepjes. De gegevens ondersteunen een WG-verklaring van EMDR. Ze suggereren dat en waarom piepjes inferieur zijn aan oogbewegingen.
De nieuwe Wet Verplichte GGZ, maart 2011
Gepubliceerd in: GZ-psychologie nummer 2, maart 2011
Evidence-based practice bij ouderen met persoonlijkheidstoornissen, maart 2011
Dit artikel is een literatuuroverzicht en gaat in op een practice based-benadering van diagnostische en therapeutische interventies bij ouderen met persoonlijkheidsstoornissen, gebaseerd op het recent verschenen boek Persoonlijkheidsstoornissen bij ouderen: diagnostiek, behandeling en gedragsadvisering (2010) onder redactie van de auteur van dit artikel.
Culpa in causa bij amfetaminepsychose: wisselende perspectieven, maart 2011
Vroegkinderlijke, chronische traumatisering bij kinderen, maart 2011
De gevolgen van chronische traumatisering van kinderen op jonge leeftijd en de behandeling daarvan is een gebied dat sterk in ontwikkeling is. Binnen de ggz-instellingen wordt vroegkinderlijke, chronische traumatisering bij kinderen iets beter herkend en behandeld, maar mijns inziens nog niet voldoende. Dat is ook lastig omdat er geen passende DSM-classificatie is. Daarnaast is cognitieve gedragstherapie (CGT) of eye movement desensitisation and reprocessing (EMDR) ontoereikend voor een gedeelte van deze kinderen. Het werkt niet, een kind wil per se niet of we durven het niet aan. Dan zijn er geen andere opties meer. Het kind wordt niet behandeld, om geen ‘slapende honden wakker te maken’. Na de behandeling verdwijnen de klachten niet of slechts gedeeltelijk. ‘Het kind was er nog niet aan toe’, wordt er dan gezegd en er wordt geadviseerd om terug te komen als het kind er wel aan toe is.
Toch is het niet verstandig om dergelijke trauma’s te laten rusten. De slapende honden zijn niet zo ongevaarlijk als ze eruit zien. Dit zijn kinderen die chronisch gestrest, alert en eenzaam zijn en zich niet hechten. ‘Deze vroegkinderlijke, chronische traumatisering kan deformatie van de persoonlijkheid en verregaande moeilijkheden in het aangaan van stabiele relaties met anderen gedurende het verdere leven tot gevolg hebben’ (Van der Kolk, 2005; Hall, 1999). Ze hebben juist wel traumabehandeling nodig in plaats van hun vermijding te bekrachtigen (Cohen/AACAP, 1998); een gefaseerde behandeling met voldoende aandacht voor het stabiliseren.
In dit artikel wordt uiteengezet bij welke kinderen en waarom gefaseerd behandelen nodig is en er wordt kort een methode voor het structureren van de stabilisatiefase toegelicht. Het diagnosticeren en stabiliseren van vroegkinderlijk, chronisch getraumatiseerde kinderen is bij uitstek een gebied waarin GZ-psychologen zich kunnen specialiseren. De meeste van de elementen van de stabilisatiefase kunnen GZ psychologen zich eigen maken, zoals het creëren van veiligheid, rust in het dagelijks leven, ouderbegeleiding, het verbeteren van de emotieregulatie, systeemgesprekken.
Voorkomen is beter dan genezen, maart 2011
Over vrijheid en willen, maart 2011
‘The personality who houses the symptom’, maart 2011
Pionieren in de zorg voor licht verstandelijk gehandicapten
‘Zwaar’ heeft hij het werken met licht verstandelijk gehandicapte (LVG) kinderen en jongeren nooit gevonden. Frans-Joris Esmeijer, gz- en klinisch psycholoog bij Karakter, vindt het eerder een uitdaging om te kijken hoe hij jeugdigen met psychische problemen en LVG beter kan helpen. ‘Het is vaak complexe problematiek waarbij het hele gezin betrokken is. Dat maakt diagnostiek en behandeling er niet eenvoudiger op. Maar ik zie het als een leuke puzzel die ik tot een oplossing moet zien te brengen.’
Seksverslaving: een behandelaanpak gebaseerd op het begrip eigenwaarde
Het aantal hulpvragen op het gebied van seksverslaving groeit. Seksverslaving is in wetenschappelijk en therapeutisch opzicht een omstreden begrip. Er is een scala aan visies op ontstaan, dynamiek en behandeling. In deze bijdrage wordt een manier van kijken beschreven die is ontwikkeld in langdurige ervaring als onderzoeker en hulpverlener op het gebied van seksverslaving of dwangmatige seksualiteit. Bij gebrek aan een goed alternatief wordt in dit artikel consequent de term ‘seksverslaving’ gebruikt om een ‘oncontroleerbaar seksueel gedragspatroon met negatieve consequenties’ aan te duiden. Als aanvulling op het denken over seksverslaving als letterlijke verslaving (conform verslaving aan alcohol, harddrugs enzovoort), wordt een model gepresenteerd waarin het versterken van eigenwaarde en het vermogen voor het eigen welbevinden te kiezen centraal staat. In de therapie dient de aandacht minder op de symptomen en de bestrijding daarvan te liggen, dan op het versterken van het zelfsturend vermogen.
Op zoek naar kennis en zelfreflectie
Complex trauma, hoe te behandelen?
In de praktijk van de GGZ wordt bij meervoudige klachten na traumatiserende gebeurtenissen de term ‘complex trauma’ (of complexe posttraumatische stressstoornis [PTSS of DESNOS] veelvuldig gebezigd. Dit is echter een warrig construct en het gebrek aan helderheid komt de indicatie of rationale voor behandeling veelal niet ten goede. Er zijn goed onderzochte behandelingen voor de posttraumatische stressstoornis voorhanden (Foa, Keane, Friedman & Cohen, 2008; Nice, 2005), maar die volstaan slechts ten dele voor de behandeling van meervoudige en onderling samenhangende klachten bij mensen die chronisch, meervoudig en interpersoonlijk geweld hebben meegemaakt (Cloitre, 2009; Crumlish & O’Rourke, 2010; Palic & Elklit, 2010). In deze bijdrage beschrijven wij een aanpak die als best practice kan worden beschouwd.
Achtereenvolgens gaan we in op een conceptuele kwestie: wat verstaan we onder ‘complex trauma’ en waarin is het anders dan enkelvoudige posttraumatische stressstoornis (PTSS) of ‘simpel trauma’?, welke diagnostische instrumenten zijn er voorhanden om complex trauma vast te stellen? Vervolgens worden aan de hand van het driefasenmodel verschillende behandeltechnieken globaal besproken.
Plan voor aangepast opleidingstraject BIG-lozen
‘Boeddhisme en mindfulness zijn belangrijke inspiratiebronnen’
Een interview met de Amerikaanse Tony Biglan over Acceptance and Committment Therapy (ACT) en het cruciale verschil met cognitieve gedragstherapie (CGT). ‘Als je van een afstand naar je gedachten kunt kijken, hebben ze minder macht over je.
Neem de verhalen van kinderen serieus!
Bang: vechtscheidingen
Bewegen Richting Flexibiliteit met Acceptatie en Commitment Therapie (ACT)
De wonderlijke wereld van Dick Swaab
Gepubliceerd in: GZ-psychologie nummer 1, januari 2011
De organisatiestructuur van de ggz-instellingen is een drama voor de kwaliteit van de zorg
Datatsunami
Het meten van remoralisatie: een verbreding van hedendaags onderzoek naar de effecten van psychotherapie
Voor effectonderzoek naar behandelingen van psychische aandoeningen is tegenwoordig het medisch model leidend: men kijkt daarbij uitsluitend of goed meetbare symptomen verminderd zijn. Het alleen maar kijken naar symptoomvermindering heeft als nadeel dat niet duidelijk wordt in welke mate bij behandelingen ookzelfwaardering en hervonden vertrouwen in eigen kunnen — ofwel remoralisatie — versterkt zijn, hetgeen volgens patiënten en behandelaars eveneens een belangrijk behandelresultaat is.
De directe relatie tussen remoralisatie en symptoomreductie is nooit eerder onderwerp van wetenschappelijk onderzoek geweest. Wel zijn beide effecten beschreven in het fasemodel van Howard e.a. (1993). In het fasemodel wordt impliciet verondersteld dat remoralisatie en symptoomreductie onderscheidbaar zijn, omdat het fasemodel ervan uitgaat dat in een effectieve behandeling allereerst remoralisatie vermeerderd en daarna pas symptoomreductie kan plaatsvinden.
Er werd een promotieonderzoektraject opgezet om het belang van het meten van remoralisatie en de relatie tussen remoralisatie en symptoomreductie te onderzoeken. Het onderhavige artikel is gebaseerd op dit promotieonderzoek met zijn vier empirische studies. We ontwikkelden allereerst de korte remoralisatieschaal (RS). Met behulp hiervan vonden we dat symptoomvermindering en remoralisatie bij paniekpatiënten steeds vergelijkbaar hand in hand gingen, zelfs wanneer de behandeling alleen gericht was op óf symptoomvermindering óf remoralisatie. Er bleek bovendien een directe relatie te bestaan tussen remoralisatie en de mate waarin patiënten beter gingen functioneren op meerdere levensterreinen, terwijl hiermee geen directe relatie bestond met symptoomvermindering.
Daarnaast werd getoetst in hoeverre een behandeling in overeenstemming mét het fasemodel — eerst remoralisatiegerichte behandelmodule gevolgd door symptoomgerichte behandelmodule — effectiever was dan een behandeling die afweek van dit model — eerst symptoomgerichte behandelmodule en daarna remoralisatiegerichte behandelmodule. Beide volgordes bleken even effectief.
Algemeen kan geconcludeerd worden dat het promotieonderzoek geen bewijs heeft geleverd voor het bestaan van de fase van het fasemodel. Daarnaast blijkt dat het meten van remoralisatie niet onderscheiden kan worden van het meten van symptoomreductie.
Vraag en antwoord over DBC-tarief voor gz-psycholoog, december 2010
Ingezonden brief
Ik heb hierover via e-mail contact gehad met het NIP en ook zij gaven aan zeer verbaasd te zijn over dit tarief. Zij stellen: ‘Binnen de DBC-systematiek is uitdrukkelijk geen sprake van een tarief per uur of verrichting. De Nederlandse Zorgautoriteit en DBC-onderhoud voeren tijdrovende en uitermate ingewikkelde exercities uit om een kostprijsonderzoeken te verrichten die uitvoerders van DBC-zorg een redelijk inkomen zouden moeten leveren. Omdat hierbij een enorme hoeveelheid variabelen van belang zijn is het tot op heden niet gelukt op een eindnorm uit te komen daar waar het een norminkomen betreft. Het doorhet tijdschrift GZ-psychologie genoemde uurhonorarium kan derhalve niet anders zijn dan een versimpeling van de realiteit.’
Kunt u mij uitleggen hoe uw auteurs komen op een tarief van 110 euro? Ik denk dat ik niet de enige (vrijgevestigde) GZ-psycholoog ben die met deze vraag zit.
Met vriendelijke groet, Marlinda Brugmans
Antwoord van Richard Janssen en Petra Soeters
De kostprijs van € 110,00 roept waarschijnlijk ook vragen op omdat in de 1e lijn een lager tarief vergoed wordt. De kostprijs in de 2e lijns GGZ is duurder dan in de 1e lijn omdat er vanwege de zwaardere patiëntencategorie veel meer multidisciplinair overleg nodig is; daarnaast zijn de overheadkosten in de 2e lijn ook hoger dan in de 1e lijn. Het multidisciplinair overleg en de overhead wordt in de kostprijs , maar ook in de opbrengsten, doorberekend.
GIOS-publicatieprijs 2010
Het tijdschrift GZ-psychologie is op zoek naar het beste wetenschappelijk artikel dat een klinisch psycholoog of klinisch neuropsycholoog in opleiding heeft geschreven in 2010. Het gaat hierbij om artikelen die klinisch psychologen en klinisch neuropsychologen hebben geschreven over het wetenschappelijk onderzoek dat zij hebben uitgevoerd ter afronding van hun KP- of KNP-opleiding.
Aanmelden kan tot 1 februari 2011 via redactie@gzpsychologie.nl. De beste inzendingen worden gepubliceerd in het derde nummer van GZ-psychologiein 2011, waarna de jury – die bestaat uit de redactie van dit tijdschrift - de winnaar uitkiest. Het doel van deze prijs is het stimuleren van het publiceren van wetenschappelijke artikelen door klinisch psychologen en klinisch neuropsychologen.
Het obstakel van de GZ-registratie heeft nog een tweede kant
DBC’s splijten GGZ
Er gaapt een diepe kloof tussen beleidsmakers en professionals in de ggz. De strijd rond de Diagnose Behandeling Combinaties (DBC’s) is daar een duidelijke uiting van. Professionals op de werkvloer zien de DBC’s niet zitten, terwijl de beleidsmakers het systeem juist door willen zetten. Nu de rechter heeft bepaald dat de professionals terechte bezwaren hebben, is de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) gedwongen tot aanpassingen. Intussen pleiten de voorvechters van het DBC-systeem, waaronder GGZ Nederland en diverse beroepsverenigingen, nog altijd voor verdere doorontwikkeling. Opgeroepen wordt om de Koepel van DBC-vrije praktijken te steunen in hun kostbare juridische strijd.
Het classificatieprobleem bij onderzoek naar hervonden herinneringen
De betrouwbaarheid van hervonden herinneringen aan seksueel misbruik in de kindertijd vormde jarenlang de inzet van een intense discussie binnen de psychologie, psychiatrie en het recht. De intensiteit van het debat is ondertussen danig afgenomen. Het belang van het onderwerp blijft evenwel bestaan. Wetenschappelijk onderzoek suggereert dat het type hervonden herinnering relevant is voor de authenticiteitkwestie. In deze bijdrage beschrijven we de verschillende typologieën en de daarmee gepaard gaande classificatieproblemen. We benadrukken de behoefte aan solide, consistente en repliceerbare classificatiecriteria.
‘Veelzijdige updates van het vak’
Gepubliceerd in: GZ-psychologie nummer 8, december 2010
Rammelende ROM in de ggz: geen ROM zonder Routine Process Monitoring
Routine Outcome Monitoring (ROM) is een systeem om het behandelverloop op het niveau van de individuele patiënt intensief te volgen met behulp van een of meer gestandaardiseerde meetinstrumenten. Het systeem is primair bedoeld om de behandelaar en de patiënt te ondersteunen in het tijdig opsporen van stagnaties of achteruitgang. ROM is dus een vorm van procesbeïnvloeding. In dit artikel worden de eigenlijke bedoeling en werkwijze van ROM besproken. Die wijken fundamenteel af van de vorm die ROM in Nederland aanneemt. In Nederland lijkt ROM helaas vooral een controle-instrument voor beleidsmakers te worden, waarvoor patiënten en behandelaars niet warm zullen lopen.
‘Om de gz-psycholoog kan niemand meer heen’
‘We moeten het kind meer centraal gaan stellen’
Bij aangifte van seksueel kindermisbruik kunnen politie en justitie informatie vragen aan hulpverleners. Maar als justitiële waarheidsvinding en behandeling elkaar kruisen, kan dat frictie geven. Dat zeggen Margreet Visser, behandelcoördinator van het Kinder- en Jeugdtraumacentrum in Haarlem, en Francien Lamers-Winkelman, bijzonder hoogleraar ‘Preventie en hulpverlening inzake kindermishandeling’ aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Visser: ‘In zedenzaken koesteren politie en justitie vaak argwaan jegens psychologen en pedagogen.’
Forensische rapportage door het PBC ter discussie
Boos:.. computer says no...
In deze column van Arianne Struik staan de belevenissen van een gz-psycholoog in het werk in de kinderpsychiatrie centraal. Uitgangspunt is telkens één van de vier basisgevoelens boos, bang, blij of bedroefd. De problemen van kinderen gaan bijna altijd over deze vier b's. Ze zijn te vaak boos of bang of hebben veel ruzie. Of ze zijn bedroefd en voelen zich rot.
Over emoties en politiek
Op zoek naar de BIG-loze psychologen
Een paar nummers geleden wijdde ik in dit tijdschrift een stukje aan de ‘BIG-lozen’: psychologen en pedagogen die zonder BIG-registratie werkzaam zijn in de gezondheidszorg. Dat leidde, Ausnahmsweise, tot een stortvloed van reacties. Blije reacties: ‘Goed dat hier aandacht voor komt’. En boze reacties, gelukkig niet zo zeer tegen mijn stukje als wel tegen (vooral) zorgverzekeraars die het werken zonder BIG-titel steeds moeilijker maken.
DBC’s in de GGZ, ontwrichtende of herstellende werking?
De vanzelfsprekendheid van evidence based werken
‘We verliezen het gevoel voor normale emoties’
Waar dissociatie vandaan komt - het schemergebied tussen slapen en waken
Reactie op column ‘Lucia de Berk’ van Jan Derksen (GZ-psychologie nummer 4, juni 2010)
Psychogerontoloog Bère Miesen over de begeleiding van mensen met dementie
Van diagnostiek naar behandeling bij suïcidaliteit
Tbs-behandeling: niet langer dan nodig, niet korter dan noodzakelijk
‘Hij was geen roekeloze schilder’
De tentoonstelling biedt nieuwe inzichten in het leven van Vincent van Gogh en werpt de vraag op of zijn psychische problemen en kunstenaarschap verband houden. Museumdirecteur Hans Looijen: ‘Veel mensen geloven namelijk dat gekte en genialiteit bij elkaar horen.’
In Therapie
Blij
Kim V. deel II: Een afgedwongen valse bekentenis?
70-jarige gedomineerd door zijn zachtaardige hond, behandeling voor beiden?
De keerzijde van het succes
Gepubliceerd in: GZ-psychologie nummer 2, maart 2010
Een eigen profielopleiding
Gepubliceerd in: GZ-psychologie nummer 2, maart 2010
De gz-psycholoog en de DSM-V
Gepubliceerd in: GZ-psychologie nummer 2, maart 2010
Emotie regulatie stoornissen: praktische tips voor de gz-psycholoog
‘Nieuw opleidingsplan gaat voorbij aan belangen praktijkinstellingen’
‘Een kijkje in de keuken van de ACT-therapeut’
De rol van de fysiologie in psychologisch onderzoek
Wij introduceren zelf het einde van de kwaliteit in ons werk
Bastiaan is boos
De gz-psycholoog in het outreachende werkveld
Management in de zorg
Lucia de Berk
Multidisciplinaire richtlijn stoornissen in het gebruik van alcohol
Wat kan een gz-psycholoog (niet)?
Het huilkransje
Neurocognitieve ontwikkelingspsychologie: een blik op een razendsnel ontwikkelend vakgebied
Sinds ongeveer 10 jaar is het vakgebied ‘neurocognitieve ontwikkelingspsychologie’ in een stroomversnelling geraakt. De wetenschappers in dit vakgebied zijn verheugd met deze ontwikkelingen, omdat zij enthousiast zijn over wat de neurowetenschappen en de ontwikkelingspsychologie elkaar te bieden hebben. Tegelijkertijd is het belangrijk om af en toe stil te staan bij de mogelijkheden en onmogelijkheden. Waar brengt dit vakgebied ons? Wat is de meerwaarde en waar gaan we te langzaam of te snel?
In dit artikel wordt besproken wat neurowetenschappelijk onderzoek precies is, en wat de meerwaarde is van neurowetenschappelijk onderzoek voor ons begrip van gedragsprocessen. Dit wordt geïllustreerd aan de hand van recente bevindingen over de ontwikkeling van adolescenten op het gebied van cognitieve, emotionele en sociale ontwikkeling. Deze onderzoeken hebben geleid tot de hypothese dat in de adolescentie de hersenen een fragiele balans vertonen tussen verwerking van cognitieve processen en emotionele en sociale prikkels.
Recent hersenonderzoek heeft laten zien dat de vaardigheid om eigen gedrag te controleren en flexibel aan te passen aan een veranderende omgeving samenhangt met een graduele toename van activiteit in de frontale cortex. Verwerking van emoties in de evolutionair oude limbische hersengebieden, vertonen juist een piek in activiteit in de adolescentie. Dit heeft geleid tot een beter begrip van hoe adolescenten met risico’s omgaan, maar ook met sociaal gevoelige situaties, zoals in relaties met leeftijdgenoten.
Ten slotte wordt in dit artikel uiteengezet wat de uitdagingen zijn voor de toekomst met betrekking tot de voorspellende waarde van neurocognitieve maten. De hooggespannen verwachtingen met betrekking tot de vertaling van neurowetenschappelijk onderzoek voor maatschappelijke problemen wordt besproken en de mate waarin hieraan tegemoet kan worden gekomen, en wanneer juist niet.
De samenhang tussen werkkenmerken en psychopathologische karakteristieken op het werkfunctioneren bij mensen met depressies of angststoornissen
‘De vroegsignalering bij kinderen kan echt beter’
‘Niet de mens achter de hulpvraag uit het oog verliezen’
Psychoanalyse in de knel? Wel nee, het onbewuste is springlevend
Nawoord Jan Derksen aan Mark Crouzen
Het productieplafond
Filmpjes leren politie over psychische problematiek
De feminisering van de gz-psychologie
Onderzoek moet de psychotherapie redden
Bang
Persoonlijkheidspathologie tussen wal en schip
Gedragskundige rapportage bij een ontkennende verdachte
Kim V.: Psychohydraulica versus psychofarmacologie
Evidence b(i)ased richtlijnen van obesitas?
De aanbevolen behandeling in de richtlijn is gebaseerd op evidence uit twee meta-analyses (Anderson et al, 2001; Avenell et al, 2004). Volgens deze meta-analyses zou een energiebeperkt dieet (600 kilocalorieën minder dan gebruikelijk) resulteren in een gewichtsdaling van circa 5 (-3.5 tot 7) kg na een jaar, waarvan na vier tot vijf jaar een gewichtsdaling van 3,5 kg behouden zou blijven.
Validiteit van de WAIS-III-factorstructuur in een steekproef ambulante psychiatrie: de indexscores als beste getest
Depressies en angststoornissen op het werk
Oplossingsgerichte therapie
Oplossingsgerichte therapie is doelgerichte therapie. Er zijn twee duidelijke verschillen aan te wijzen met probleemgerichte therapieën. De focus is niet op het exploreren en analyseren van het probleem, op wat de cliënt niet wil, maar op wat de cliënt wel wil in de toekomst. Het behandeldoel wordt niet gedefinieerd in termen van afname van problemen of klachten, maar in termen van toename van wat de cliënt voor de problemen of klachten in de plaats wil.
Objectivering van cognitieve functiestoornissen in de klinische praktijk bij patiënten met een bipolaire stoornis
Therapietrouw bevorderende maatregelen binnen de ambulante geestelijke gezondheidszorg: een overzicht
Een brandstichter op de longstay: waarom contra-expertises hard nodig zijn
Te grote stelligheid bedreigt kwaliteit wetenschap
Mindfulness en Boeddhistische Psychologie
Van psychosomatosen via somatoforme klachten nu maar weer eens naar medisch onverklaarde klachten
In de jaren zestig, zeventig en tachtig kwam de buitenlandse invloed op de klinisch psychologie niet alleen met de westenwind mee maar ook nog wel eens met een briesje uit het oosten: de ‘psychosomatische Medizin’ is hiervan een voorbeeld. Medisch onverklaarde klachten heetten toen nog psychosomatosen en in deze aanduiding tref je een besef aan van de belangrijke bijdrage van psychologische determinanten bij in het lichaam uitgedrukte stoornissen.De psychosomatische benaderingswijze sloot geen enkele ziekte uit, maar historisch gezien waren de symptoomgroepen onder studie vooral: ulcus ventriculi/duodeni, colitis ulcerosa, asthma bronchiale, essentiële hypertensie, ziekte van Graves (hyperthyreoidie), rheumatoïde arthritis en neurodermatitis. Bij elk van deze stoornissen werd gedacht aan een specifiek psychisch conflict en hieromtrent bestonden theorieën vooral vormgegeven door de Hongaar Franz Alexander en in Nederland door de internist en psychobioloog (zo noemde hij zichzelf), Juda Groen. Hun theorieën leidden tot wat in die tijd de specificiteithypothese werd genoemd. Deze wacht nog op toetsing.
Werken met protocollaire behandelingen
Het hertrainen van automatische cognitieve processen bij angst- en verslavingsproblematiek
Het psychopathieprofiel. Een verfijnde kijk op psychopathie met de PCL-R en de MMPI-2.
Multidisciplinaire Richtlijn voor de diagnostiek, behandeling en begeleiding van volwassen patiënten met een depressieve stoornis
Stressreacties in het lichaam spelen een geringe rol bij medisch onverklaarde klachten
Psychisch kwetsbare verdachten tijdens het politieverhoor: nut en noodzaak van forensisch psychologische expertise
Acceptance and Commitment Therapy: Een nieuwe vorm van cognitieve gedragstherapie
Waarom obesitas in de GGZ behandeld moet worden
Richtlijnen voor behandelaars
SAMENVATTING
Moord in de familie
Gevalsbeschrijving over een 82-jarige man met een autismespectrumstoornis
Cognitieve kenmerken van volwassenen met de autistische stoornis en de stoornis van Asperger aan de hand van WAIS III-profielen
Trefwoorden: Autistische stoornis, Asperger, WAIS-III, intelligentieprofielen, verwerkingssnelheid
Gepubliceerd in: GZ-psychologie nummer 1, november 2009
SAMENVATTING
Uit het onderzoek komt naar voren dat volwassenen met de autistische stoornis, volwassenen met de stoornis van Asperger en een neurotypische controlegroep, allen met een normale tot hoge intelligentie, vergelijkbaar zijn wat betreft Verbaal begrip, Perceptueel inzicht en Werkgeheugen. Bij de participanten met de autistische stoornis is er sprake van een relatief trage informatieverwerking in vergelijking met de twee andere groepen. Het kost hen meer tijd om informatie te verwerken. Dit is mogelijk toe te schrijven aan een sterke detailgerichtheid en een daarmee samenhangende bottom-up-strategie van denken en werken. Bij de volwassenen met de stoornis van Asperger zijn geen significante afwijkingen geconstateerd in vergelijking met de neurotypische controlegroep. Waarschijnlijk hebben volwassenen met de stoornis van Asperger, en in enige mate ook de volwassenen met de autistische stoornis, door de jaren heen op diverse gebieden hun beperkingen leren compenseren en camoufleren. Hierdoor komen de specifieke kenmerken op het gebied van theory of mind, centrale coherentie en executief functioneren niet of slechts deels tot uiting in hun intelligentieprofiel. Dit impliceert dat het intelligentieprofiel geen duidelijkheid kan verschaffen over de eventuele aanwezigheid van een autismespectrumstoornis (ASS). Wel kan het intelligentieprofiel zinvolle informatie verschaffen over de mogelijkheden en beperkingen binnen werk en opleiding.
De MMPI-2-Restructured Form: een nieuwe standaard in de psychologische diagnostiek?
Trefwoorden: psychodiagnostiek, MMPI-2, MMPI-2-RF
Gepubliceerd in: GZ-psychologie nummer 1, november 2009
De Inference Based Approach: ontwarren van verbeelding en werkelijkheid bij obsessies
Trefwoorden: Inference Based Approach, Inferential Confusion, obsessive compulsive disorder
Gepubliceerd in: GZ-psychologie nummer 1, november 2009
Patiënten met de obsessieve compulsieve stoornis (OCS) met gering inzicht herstellen vaak niet of onvoldoende van het bestaande behandelaanbod. In Canada werd de Inference Based Approach (IBA) ontwikkeld voor deze doelgroep. Het centrale idee van deze nieuwe theorie en behandelvorm is dat OCS-patiënten door hen ingebeelde gevaren hanteren alsof het niet om inbeelding maar om werkelijkheid gaat. In de behandeling leren patiënten herkennen dat er aan hun dwanghandelingen altijd inbeelding voorafgaat. Zij krijgen handvatten om fantasie en werkelijkheid beter te gaan onderscheiden. In onderzoek werd evidentie gevonden voor het theoretisch model van IBA en voor de effectiviteit van de behandelmethode. IBA staat echter nog wel in de kinderschoenen en vereist vervolgonderzoek. De effectiviteit van de behandelmethode wordt op dit moment in Nederland onderzocht. In dit artikel wordt het theoretisch model van IBA uiteengezet en wordt een korte schets van de behandelmethode gegeven.
De invloed van rumineren en afleiding zoeken op depressieve klachten bij niet-klinische kinderen en adolescenten: een meta-analyse
Trefwoorden: adolescenten, afleiding, kinderen, Response Styles Theory, rumineren, depressieve klachten
Gepubliceerd in: GZ-psychologie nummer 1, november 2009
Deze meta-analyse had als doel om te onderzoeken in hoeverre de veronderstellingen van de Response Styles Theory (RST), betreffende de relatie tussen rumineren en afleiding zoeken en depressieve klachten en geslachtsverschillen in het gebruik van deze responsestijlen, ondersteund worden in niet-klinische kinderen en adolescenten. In het samenvatten van de literatuur werden effectmaten (ES) berekend voor cross-sectionele en longitudinale studies. De resultaten lieten zien dat stabiele en significante ES werden gevonden voor de relatie tussen rumineren en depressie (zowel cross-sectioneel als longitudinaal), behoudens wanneer rekening werd gehouden met de voormetingen van depressie in de longitudinale studies. Ten slotte werd een significant en stabiel geslachtsverschil gevonden voor rumineren bij adolescenten. Samengevat, deze bevindingen leveren gedeeltelijke ondersteuning voor de RST en impliceren dat rumineren een cognitieve kwetsbaarheidfactor is voor depressieve klachten bij adolescenten, en middels diverse therapeutische technieken aangepakt kan worden.
Klinische neuropsychologie: nieuw specialisme sluit aan bij maatschappelijke ontwikkelingen
Trefwoorden: klinische neuropsychologie, wet BIG, specialisme, geestelijke gezondheidszorg, topklinische ggz
Gepubliceerd in: GZ-psychologie nummer 1, november 2009
Serie forensische casuïstiek: ontucht met kinderen is niet hetzelfde als pedofilie
Trefwoorden: ontucht, pedofilie, kinderen, forensisch, casuïstiek
Gepubliceerd in: GZ-psychologie nummer 1, november 2009
Steeds meer gz-psychologen zijn werkzaam in de forensische sector, en dat aantal zal de komende jaren zeker nog toenemen getuige de prognose. Daar staat tegenover dat in Nederland op dit moment het opleidingsaanbod op het gebied van de forensische psychologie (nog) beperkt is. Forensische casuïstiek is bijna altijd complex en doet een maximaal beroep op de kennis en het analytisch/kritisch denkvermogen van de psycholoog die de forensische cliënt diagnostisch onderzoekt of behandelt. In deze serie worden aan de hand van gevalsstudies belangrijke thema’s uit de forensische psychologie belicht.
