Archief wetenschappelijke artikelen GZ-psychologie
Via dit online archief kunt u in het tijdschrift GZ-psychologie gepubliceerde wetenschappelijke artikelen raadplegen. Ook is het mogelijk om in het archief te zoeken op trefwoord.
Kim V.: Psychohydraulica versus psychofarmacologie
Evidence b(i)ased richtlijnen van obesitas?
De aanbevolen behandeling in de richtlijn is gebaseerd op evidence uit twee meta-analyses (Anderson et al, 2001; Avenell et al, 2004). Volgens deze meta-analyses zou een energiebeperkt dieet (600 kilocalorieën minder dan gebruikelijk) resulteren in een gewichtsdaling van circa 5 (-3.5 tot 7) kg na een jaar, waarvan na vier tot vijf jaar een gewichtsdaling van 3,5 kg behouden zou blijven.
Vreemd genoeg zijn in de richtlijn niet de uitkomsten verwerkt van een meta-analyse uit 2007 in The American Psychologist die tot een geheel andere conclusie kwam, namelijk Diets are not the answer (Mann et al., (2007). In deze meta-analyse kwam naar voren dat het percentage deelnemers dat op de lange termijn een deel van het gewichtsverlies wist vast te houden slechts klein was en dat bijna de helft van de deelnemers na vier jaar zelfs zwaarder was dan vóór het dieet. Wie heeft er gelijk?
Validiteit van de WAIS-III-factorstructuur in een steekproef ambulante psychiatrie: de indexscores als beste getest
Depressies en angststoornissen op het werk
Oplossingsgerichte therapie, juni 2010
Oplossingsgerichte therapie is doelgerichte therapie. Er zijn twee duidelijke verschillen aan te wijzen met probleemgerichte therapieën. De focus is niet op het exploreren en analyseren van het probleem, op wat de cliënt niet wil, maar op wat de cliënt wel wil in de toekomst. Het behandeldoel wordt niet gedefinieerd in termen van afname van problemen of klachten, maar in termen van toename van wat de cliënt voor de problemen of klachten in de plaats wil.
In plaats van het geven van adviezen stelt de therapeut vragen: ‘Waar hoopt u op? Welk verschil zou dat maken? Wat werkt al in de goede richting?’ en ‘Wat zou een volgend teken van vooruitgang zijn?’ De cliënt wordt als competent gezien zijn doel te formuleren, oplossingen te bedenken en uit te voeren. In dit artikel worden de korte historie, tien uitgangspunten, praktijk, theorie, empirische evidentie en (contra)indicaties van OT besproken. Er worden drie oplossingsgerichte oefeningen beschreven, geschikt voor zowel de therapeut als de cliënt. Onderzoek wijst uit dat oplossingsgerichte therapie even werkzaam is als andere vormen van psychotherapie, met een kortere therapieduur en betere waarborgen voor de autonomie van de cliënt.
Objectivering van cognitieve functiestoornissen in de klinische praktijk bij patiënten met een bipolaire stoornis, juni 2010
Therapietrouw bevorderende maatregelen binnen de ambulante geestelijke gezondheidszorg: een overzicht, juni 2010
Een brandstichter op de longstay: waarom contra-expertises hard nodig zijn, juni 2010
GZ-psychologie nummer 3, april 2010, april 2010
GZ-psychologie nummer 3, april 2010
Te grote stelligheid bedreigt kwaliteit wetenschap, april 2010
Mindfulness en Boeddhistische Psychologie, april 2010
Van psychosomatosen via somatoforme klachten nu maar weer eens naar medisch onverklaarde klachten, april 2010
In de jaren zestig, zeventig en tachtig kwam de buitenlandse invloed op de klinisch psychologie niet alleen met de westenwind mee maar ook nog wel eens met een briesje uit het oosten: de ‘psychosomatische Medizin’ is hiervan een voorbeeld. Medisch onverklaarde klachten heetten toen nog psychosomatosen en in deze aanduiding tref je een besef aan van de belangrijke bijdrage van psychologische determinanten bij in het lichaam uitgedrukte stoornissen.De psychosomatische benaderingswijze sloot geen enkele ziekte uit, maar historisch gezien waren de symptoomgroepen onder studie vooral: ulcus ventriculi/duodeni, colitis ulcerosa, asthma bronchiale, essentiële hypertensie, ziekte van Graves (hyperthyreoidie), rheumatoïde arthritis en neurodermatitis. Bij elk van deze stoornissen werd gedacht aan een specifiek psychisch conflict en hieromtrent bestonden theorieën vooral vormgegeven door de Hongaar Franz Alexander en in Nederland door de internist en psychobioloog (zo noemde hij zichzelf), Juda Groen. Hun theorieën leidden tot wat in die tijd de specificiteithypothese werd genoemd. Deze wacht nog op toetsing.
Werken met protocollaire behandelingen, april 2010
Het hertrainen van automatische cognitieve processen bij angst- en verslavingsproblematiek, februari 2010
Het psychopathieprofiel. Een verfijnde kijk op psychopathie met de PCL-R en de MMPI-2., februari 2010
Multidisciplinaire Richtlijn voor de diagnostiek, behandeling en begeleiding van volwassen patiënten met een depressieve stoornis, februari 2010
Stressreacties in het lichaam spelen een geringe rol bij medisch onverklaarde klachten, februari 2010
Psychisch kwetsbare verdachten tijdens het politieverhoor: nut en noodzaak van forensisch psychologische expertise, februari 2010
In de dagen na de vondst van het ontzielde lichaam van de vrouw zet de politie een krachtige mediacampagne in met als doel de dader op te sporen. In de lokale kranten en op de lokale nieuwszender worden zo allerlei details over het misdrijf prijsgegeven, zoals de wijze waarop de vrouw is gedood en de manier waarop zij lag toen zij werd gevonden. In de daaropvolgende dagen worden ook verschillende getuigen gehoord. Eén van hen geeft aan in die nacht op een kruispunt in de omgeving van de plaats delict een fietser te hebben gezien die zich verdacht gedroeg. Volgens de getuige ging het om een Marokkaanse jongen van tussen de 22 en 27 jaar met een donkere wollen muts en een blauw bomber jack. De beschrijving kwam overeen met die van Mohammed Dahhan, een 21-jarige Maastrichtse jongen van Marokkaanse afkomst. Tien dagen na de ontdekking van het lichaam van het slachtoffer wordt hij aangehouden als verdachte in de moordzaak. Dahhan beschikt over een donkere wollen muts en een blauw bomber jack. Tijdens de verhoren blijkt Mohammed daderkennis te bezitten, maar vertelt hij eveneens bizarre en onwaarschijnlijke verhalen waaraan geen touw is vast te knopen. Mede hierdoor wordt Dahhan veelvuldig verhoord door de politie, wat uiteindelijk resulteert in meer dan tweeduizend uitgetypte pagina’s proces-verbaal. Steeds opnieuw herhaalt Dahhan dat hij gestraft wil worden voor zijn slechte daden, en behandeld wil worden voor zijn problemen.
Acceptance and Commitment Therapy: Een nieuwe vorm van cognitieve gedragstherapie, februari 2010
Waarom obesitas in de GGZ behandeld moet worden, december 2009
Richtlijnen voor behandelaars, december 2009
SAMENVATTING
Moord in de familie, december 2009
Gevalsbeschrijving over een 82-jarige man met een autismespectrumstoornis, december 2009
Cognitieve kenmerken van volwassenen met de autistische stoornis en de stoornis van Asperger aan de hand van WAIS III-profielen, december 2009
Auteurs: A.A. Spek, prof. dr. E.M. Scholte en prof. dr. I.A. van Berckelaer-Onnes
Trefwoorden: Autistische stoornis, Asperger, WAIS-III, intelligentieprofielen, verwerkingssnelheid
Gepubliceerd in: GZ-psychologie nummer 1, november 2009
SAMENVATTING
Uit het onderzoek komt naar voren dat volwassenen met de autistische stoornis, volwassenen met de stoornis van Asperger en een neurotypische controlegroep, allen met een normale tot hoge intelligentie, vergelijkbaar zijn wat betreft Verbaal begrip, Perceptueel inzicht en Werkgeheugen. Bij de participanten met de autistische stoornis is er sprake van een relatief trage informatieverwerking in vergelijking met de twee andere groepen. Het kost hen meer tijd om informatie te verwerken. Dit is mogelijk toe te schrijven aan een sterke detailgerichtheid en een daarmee samenhangende bottom-up-strategie van denken en werken. Bij de volwassenen met de stoornis van Asperger zijn geen significante afwijkingen geconstateerd in vergelijking met de neurotypische controlegroep. Waarschijnlijk hebben volwassenen met de stoornis van Asperger, en in enige mate ook de volwassenen met de autistische stoornis, door de jaren heen op diverse gebieden hun beperkingen leren compenseren en camoufleren. Hierdoor komen de specifieke kenmerken op het gebied van theory of mind, centrale coherentie en executief functioneren niet of slechts deels tot uiting in hun intelligentieprofiel. Dit impliceert dat het intelligentieprofiel geen duidelijkheid kan verschaffen over de eventuele aanwezigheid van een autismespectrumstoornis (ASS). Wel kan het intelligentieprofiel zinvolle informatie verschaffen over de mogelijkheden en beperkingen binnen werk en opleiding.
De MMPI-2-Restructured Form: een nieuwe standaard in de psychologische diagnostiek?
Trefwoorden: psychodiagnostiek, MMPI-2, MMPI-2-RF
Gepubliceerd in: GZ-psychologie nummer 1, november 2009
De Inference Based Approach: ontwarren van verbeelding en werkelijkheid bij obsessies
Trefwoorden: Inference Based Approach, Inferential Confusion, obsessive compulsive disorder
Gepubliceerd in: GZ-psychologie nummer 1, november 2009
Patiënten met de obsessieve compulsieve stoornis (OCS) met gering inzicht herstellen vaak niet of onvoldoende van het bestaande behandelaanbod. In Canada werd de Inference Based Approach (IBA) ontwikkeld voor deze doelgroep. Het centrale idee van deze nieuwe theorie en behandelvorm is dat OCS-patiënten door hen ingebeelde gevaren hanteren alsof het niet om inbeelding maar om werkelijkheid gaat. In de behandeling leren patiënten herkennen dat er aan hun dwanghandelingen altijd inbeelding voorafgaat. Zij krijgen handvatten om fantasie en werkelijkheid beter te gaan onderscheiden. In onderzoek werd evidentie gevonden voor het theoretisch model van IBA en voor de effectiviteit van de behandelmethode. IBA staat echter nog wel in de kinderschoenen en vereist vervolgonderzoek. De effectiviteit van de behandelmethode wordt op dit moment in Nederland onderzocht. In dit artikel wordt het theoretisch model van IBA uiteengezet en wordt een korte schets van de behandelmethode gegeven.
De invloed van rumineren en afleiding zoeken op depressieve klachten bij niet-klinische kinderen en adolescenten: een meta-analyse
Trefwoorden: adolescenten, afleiding, kinderen, Response Styles Theory, rumineren, depressieve klachten
Gepubliceerd in: GZ-psychologie nummer 1, november 2009
Deze meta-analyse had als doel om te onderzoeken in hoeverre de veronderstellingen van de Response Styles Theory (RST), betreffende de relatie tussen rumineren en afleiding zoeken en depressieve klachten en geslachtsverschillen in het gebruik van deze responsestijlen, ondersteund worden in niet-klinische kinderen en adolescenten. In het samenvatten van de literatuur werden effectmaten (ES) berekend voor cross-sectionele en longitudinale studies. De resultaten lieten zien dat stabiele en significante ES werden gevonden voor de relatie tussen rumineren en depressie (zowel cross-sectioneel als longitudinaal), behoudens wanneer rekening werd gehouden met de voormetingen van depressie in de longitudinale studies. Ten slotte werd een significant en stabiel geslachtsverschil gevonden voor rumineren bij adolescenten. Samengevat, deze bevindingen leveren gedeeltelijke ondersteuning voor de RST en impliceren dat rumineren een cognitieve kwetsbaarheidfactor is voor depressieve klachten bij adolescenten, en middels diverse therapeutische technieken aangepakt kan worden.
Klinische neuropsychologie: nieuw specialisme sluit aan bij maatschappelijke ontwikkelingen
Trefwoorden: klinische neuropsychologie, wet BIG, specialisme, geestelijke gezondheidszorg, topklinische ggz
Gepubliceerd in: GZ-psychologie nummer 1, november 2009
Serie forensische casuïstiek: ontucht met kinderen is niet hetzelfde als pedofilie
Trefwoorden: ontucht, pedofilie, kinderen, forensisch, casuïstiek
Gepubliceerd in: GZ-psychologie nummer 1, november 2009
Steeds meer gz-psychologen zijn werkzaam in de forensische sector, en dat aantal zal de komende jaren zeker nog toenemen getuige de prognose. Daar staat tegenover dat in Nederland op dit moment het opleidingsaanbod op het gebied van de forensische psychologie (nog) beperkt is. Forensische casuïstiek is bijna altijd complex en doet een maximaal beroep op de kennis en het analytisch/kritisch denkvermogen van de psycholoog die de forensische cliënt diagnostisch onderzoekt of behandelt. In deze serie worden aan de hand van gevalsstudies belangrijke thema’s uit de forensische psychologie belicht.
