In de meeste gevallen behouden beide ouders het gezag over hun kind na een scheiding, zelfs als de zorg van het kind hoofdzakelijk in handen van één van de ouders komt te liggen. Bij de behandeling van minderjarigen geldt als uitgangspunt dat een zorgverlener mag afgaan op de toestemming van één aanwezige ouder (veronderstelde toestemming), tenzij het gaat om een ingrijpende behandeling of er aanwijzingen bestaan dat één van de ouders mogelijk niet instemt met de behandeling. In dat geval moet aan de niet-aanwezige ouder expliciet om toestemming worden gevraagd, zie hiervoor ook de KNMG-wegwijzer ‘Toestemming en informatie bij behandeling van minderjarigen’. In het geval van een ggz-behandeling is het raadzaam om van beide ouders toestemming te verkrijgen. Ook omdat beide ouders recht hebben op dezelfde informatieverstrekking. Als een minderjarige moet worden opgenomen voor behandeling, dienen beide gezagdragende ouders hiervoor toestemming te geven. Als één van de twee ouders dit weigert, kan er vervangende toestemming van de rechter worden gevraagd.
Leeftijdsafhankelijk
Overigens is de exacte leeftijd van de minderjarige wel relevant. De hoofdregel is dat als een minderjarige jonger is dan 12 jaar, er toestemming nodig is van gezagdragende ouders voor de behandeling. Als de ouders, of één van hen, de behandeling weigeren, kan de psycholoog op basis van het goed hulpverlenerschap in sommige gevallen alsnog besluiten de cliënt te behandelen. Voor minderjarigen tussen de 12 en 16 jaar geldt ook dat zowel toestemming nodig is van ouders als van de minderjarige zelf. Indien de

