Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Reacties0

Nieuws

Premium

In vrijwel elke behandeling vloeien er weleens tranen en in de behandelkamer is de vertrouwde tissuedoos niet weg te denken. Maar zijn deze tranen alleen van onze cliënten, of ook van onszelf? En als we zelf ook weleens een traantje wegpinken, wat vinden wij en onze patiënten daar dan van? Deze vragen worden beantwoord door een studie van Tilburgse onderzoekers. De onderzoeksresultaten, beknopt:

  • 87,4 Procent van de in totaal 819 deelnemende therapeuten liet weten ten minste één keer te hebben gehuild tijdens een behandelsessie;

  • therapeuten die nooit hadden gehuild, gaven aan dat zij wel vaak ontroerd waren geraakt in een behandeling;

  • de tranen van cliënten werden positief beoordeeld, vanwege de ‘waardevolle bijdrage aan het therapieproces’;

  • dat de behandeling ook bij de therapeut emoties oproept, vinden cliënten en behandelaars begrijpelijk, en bovendien onvermijdelijk;

  • maar die emoties moeten wel op professioneel verantwoorde wijze worden geuit en gehanteerd, de therapeut moet altijd de regie over de therapie houden;

  • ook in de opleiding zou meer aandacht moeten zijn voor de emoties en emotionele reacties van de therapeut.

Bron: Vingerhoets, A.J.J.M. & ’t Lam, C. (2016). De tranen van de therapeut: Als de hulpverlener het zelf niet drooghoudt. De Psycholoog, 10-20.


https://static-content.springer.com/image/art%3A10.1007%2Fs41480-017-0014-3/MediaObjects/41480_2017_14_Fig2_HTML.jpg

Voorspel het behandeleffect!

Hoe groot de kans is dat iemand profiteert van een bepaalde therapie? Zou het niet fantastisch zijn als we de slagingskans van een behandeling kunnen voorspellen? Vanuit die hoopvolle gedachte ontwierpen onderzoekers in Philadelphia de ‘Personalized Advantage Index Approach’, een methodiek waarmee behandelaars kunnen voorspellen of iemand met een depressie meer baat heeft bij medicatie, of CGT.1 Daarbij wordt gebruik gemaakt van bepaalde moderatoren; prescriptieve factoren zoals iemands leeftijd, geslacht, ernst van zijn of haar depressie en mogelijke comorbiditeit. Uit onderzoek bleek dat de voorspellingen goed uitpakten, waarna er een vergelijkbare Nederlandse studie is verricht.² Met als verschil dat daarin is onderzocht of te voorspellen viel bij welke patiënten CGT beter zou aanslaan en welke patiënten meer baat hebben bij Interpersoonlijke PsychoTherapie (IPT). De uitkomst: dat bleek inderdaad te voorspellen. Patiënten die de voor hen meest geschikte therapie kregen, knapten op en patiënten die een andere therapie kregen, bleven vaak depressief. Het onderzoek naar deze benadering staat nog in de kinderschoenen; de hier beschreven onderzoeken waren retrospectief. Prospectief onderzoek is nodig en dit wordt momenteel dan ook opgezet.

1. De Rubeis, R.J., e.a. (2014) The Personalized Advantage Index: translating research on

Premium

Wil je dit artikel lezen?

Neem GZ-psychologie een maand gratis op proef. Tijdens deze maand heb je onbeperkt toegang tot alle content. Na een maand stopt het proefabonnement automatisch.


    Al abonnee? Log dan in