Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Reacties0

Gerben Meynen: ‘Geen enkele psychische stoornis maakt iemand per definitie wilsonbekwaam’

In het najaar van 2017 gaf Gerben Meynen aan de Amsterdamse VU zijn oratie Kwetsbare keuzes, als eerste Nederlandse hoogleraar Ethiek en psychiatrie. Centraal in zijn betoog stond de vraag in hoeverre een psychische stoornis iemands wilsbekwaamheid of toerekeningsvatbaarheid kan beïnvloeden, en met welke criteria dat kan worden vastgesteld. Aan GZ-psychologie legt hij uit dat het antwoord op deze praktische vraag verband houdt met het eeuwenoude filosofische probleem van de vrije wil.
Premium

U bent ook bijzonder hoogleraar Forensische Psychiatrie aan Tilburg University, en u heeft een boek gepubliceerd over toerekeningsvatbaarheid, een begrip dat nauw verbonden is met wilsbekwaamheid. Vanwaar uw belangstelling voor beide vraagstukken?

‘Die belangstelling kreeg ik al in het eerste jaar van mijn opleiding tot psychiater. Ik heb zowel geneeskunde als wijsbegeerte gestudeerd, waarna ik me ben gaan specialiseren tot psychiater. In het kader van die opleiding werkte ik op de gesloten afdeling van de Valeriuskliniek in Amsterdam. Wat mij daar opviel was hoe ik met patiënten die heel psychotisch waren, en bij wie die stoornis hun gedrag op cruciale momenten volledig leek te bepalen, tegelijkertijd toch over veel zaken een goed gesprek kon voeren. Het waren mensen die opgenomen waren met een IBS of een rechterlijke machtiging, dus zij hadden een ernstige stoornis, maar dat betekende niet dat ze geen beredeneerde keuzes konden maken. Ik zag dat je dus heel gedifferentieerd naar zulke patiënten moet kijken.’

In diezelfde tijd werd in het hersenonderzoek steeds nadrukkelijker de vraag gesteld of er wel een vrije wil kon bestaan als de neurobiologie alles bepaalt. Ik deed toen promotieonderzoek in het Herseninstituut, – het huidige Nederlands Instituut voor Neurowetenschappen (NIN) -, waar Dick Swaab mijn promotor was. Hij legde ook verband tussen hersenen en de vraag naar de vrije wil. Deze twee ervaringen samen vormden voor mij de aanleiding om mij met vraagstukken rond keuzevrijheid, wilsbekwaamheid en toerekeningsvatbaarheid te gaan bezighouden.’

Dat zijn dus eigenlijk filosofische problemen.

‘Dat klopt en het is ook niet toevallig dat ik nu aan de VU ben aangesteld bij de afdeling Wijsbegeerte. Ik heb er steeds naar gestreefd om de psychiatrie en de filosofie te combineren. Na mijn opleiding ben ik gaan werken op de angstpoli van GGZ inGeest, wat nu nog steeds mijn werkplek is, maar ik wilde ook graag bezig blijven met filosofische vraagstukken. Ik heb daarom bij de NWO een Veni-subsidie aangevraagd en gekregen voor een onderzoek naar de vrije wil en psychische stoornissen; naar de vraag in hoeverre psychische stoornissen de keuzes van mensen, en met name de vrijheid van die keuzes, beïnvloeden. Toen ik een antwoord op die vraag probeerde te vinden, ging ik automatisch nadenken over wilsbekwaamheid, een begrip dat de laatste decennia binnen de geneeskunde erg belangrijk is geworden omdat de autonomie van patiënten zo centraal is komen te staan. In die tijd verscheen ook

Premium

Wil je dit artikel lezen?


    Al abonnee? Log dan in