Ggz wordt straks weer betaald op basis van type zorg, tijdsduur en beroep behandelaar

De Ggz wordt straks weer betaald op basis van het type zorg, de tijdsduur hiervan en het beroep van de behandelaar. Dit blijkt uit een tussenrapportage van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). De Zorgautoriteit heeft flinke stappen gezet in het uitwerken van de nieuwe bekostiging voor de ggz, die in 2022 in moet gaan.

Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan

De NZa maakte in 2019 bekend dat er een einde zou komen aan de huidige bekostiging van de ggz via diagnose-behandelingcombinaties (dbc’s). De dbc’s, die vanaf 2008 in de ggz zijn geïntroduceerd, kennen veel problemen. Ze sluiten niet aan bij de zorg die is geleverd, houden geen rekening met de setting waarin zorg is geleverd en geven bepaalde prikkels die de kosten van zorg opdrijven. Voor patiënten was een nota bovendien niet te lezen en voor zorgverleners leverde het systeem een enorme administratieve last op. Dit is in de loop der jaren door de sector aangegeven en werd door de NZa erkend.

In het advies uit 2019 zette de Zorgautoriteit de grote lijnen voor een nieuwe bekostiging, het zorgprestatiemodel, al uiteen. Staatssecretaris Blokhuis (VWS) gaf toen ook al aan dat hij het advies wilde overnemen, mits het op een aantal punten verder zou worden uitgewerkt. De NZa heeft sindsdien onderzoek gedaan naar de opbouw van kosten in de ggz en komt nu met een verdere uitwerking van het nieuwe model.

Soort zorg en behandelaar

Het was al duidelijk dat de aandoening – de diagnose, die patiënten krijgen – niet meer leidend zou zijn voor de bekostiging. Op hoofdlijnen gaat het nieuwe zorgprestatiemodel uit van consulten, verblijfsprestaties en een klein aantal overige prestaties. Een consult heeft de NZa gedefinieerd als een ‘direct zorginhoudelijk contact tussen zorgverlener en (forensische) patiënt of het systeem van de patiënt’. Indirecte tijd wordt verdisconteerd in de prestaties. “Zo worden administratieve lasten voorkomen en wordt het patiëntcontact zoveel mogelijk gestimuleerd”, licht de Zorgautoriteit toe.

Consulten worden verder opgesplitst naar het beroep van de behandelaar, of het om diagnostiek of behandeling gaat en de duur hiervan. Deze elementen bepalen voor een groot deel de kosten van een consult. De patiënt kan zo zien bij welke zorgverlener hij is geweest en hoe lang het consult duurde.

Verder wordt in de bekostiging rekening gehouden met de setting waarin de zorg wordt geleverd. Uit het onderzoek van de NZa blijkt namelijk dat de setting een behoorlijke invloed heeft op de kosten van zorg. Op basis van dit onderzoek heeft de Zorgautoriteit een indeling van ambulant, via outreachend en klinisch, tot forensische en hoog-specialistische zorg gemaakt.

Tijdsgrenzen

De tijd die aan een behandeling wordt besteedt, wordt straks anders geregistreerd. De tijdsregistratie in de dbc-systematiek maakte gebruik van ‘tot’ grenzen, zoals tot 15 minuten. Dat leidde ertoe dat behandelaren soms net iets meer tijd registreerden, om in een hoger tarief te komen. Daarom heeft de NZa besloten een ‘vanaf’ grens aan te brengen.

“De afbakening van de consulten is gebaseerd op de gemiddelde tijdbesteding in de huidige praktijk. In de nieuwe indeling ligt dat gemiddelde dicht bij de ondergrens van de prestatie. Zo is een ‘consult vanaf 30 minuten’ gebaseerd op een huidig gemiddelde van 31 minuten en een ‘consult vanaf 45 minuten’ op een huidig gemiddelde van 46 minuten. Zo wordt de prikkel om strategisch net over de grens van het hogere consult te gaan beperkt”, aldus de Zorgautoriteit.

896 prestaties

In totaal komt de NZa met acht beroepscategorieën, met acht varianten in de consultduur, twee zorgtypen, te weten behandeling en diagnostiek, en zeven settings. De rekensom die hieruit volgt, 8 x 8 x 2 x 7, levert in totaal 896 mogelijke combinaties op, ofwel prestaties die zorgverleners kunnen declareren. Dan houdt de Zorgautoriteit dingen als groepsbehandelingen, toeslagen en overige verrichtingen nog buiten beschouwing.

“In werkelijkheid zal dit aantal lager zijn, bijvoorbeeld omdat bepaalde prestaties maar in 1 van de 7 settings kunnen voorkomen”, tekent de NZa hierbij aan. “Analyses laten zien dat tarieven door deze onderverdeling goed aansluiten bij werkelijke kosten. Wij gaan ervan uit dat de omvang van de prestatiestructuur in de praktijk geen problemen gaat opleveren. Zorgverleners zullen nooit met het hele palet te maken hebben. Zij werken meestal vanuit 1 beroep, en meestal maar in 1 setting. Dat brengt het aantal keuzemogelijkheden terug tot bijvoorbeeld 1 beroep x diagnostiek of behandeling x 8 tijdsduurvarianten x 1 setting = 16 mogelijkheden. Dat is te overzien.”

Externe toets

De NZa werkt de komende tijd nog op verschillende punten het zorgprestatiemodel voor de ggz verder uit. In april 2020 volgt de uitkomst van een externe toets van het model. Begin mei stuurt de NZa de verdere uitwerking van haar advies naar staatssecretaris Blokhuis. De staatssecretaris laat aan de Tweede Kamer weten dat hij dan ook met een beleidsreactie komt.

Door Samira Ahli

Bron: Skipr.nl