‘Ik voel me vaak een soort ombudsman’

Hij is een aanspreekpunt voor behandelaars en patiënten, adviseert de Raad van Bestuur, maar hakt waar nodig ook zelf knopen door. Het werkterrein van geneesheer-directeur Maarten van Grevenstein begeeft zich op het grensvlak van therapeutische praktijk en openbare orde.

Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
https://static-content.springer.com/image/art%3A10.1007%2Fs41480-020-0232-y/MediaObjects/41480_2020_232_Fig1_HTML.jpg

Wat houdt de functie van geneesheer-directeur in?

‘De term geneesheer-directeur is nogal misleidend, want lange tijd was een geneesheer-directeur zowel arts als directeur van de instelling, en woonde hij in een mooie villa op het terrein. Tegenwoordig is het iemand die op grond van de wet – sinds dit jaar de WVGGZ – eindverantwoordelijk is voor de verplichte zorg binnen een instelling.
Karakter is een centrum voor kinder- en jeugdpsychiatrie en wettelijk heb ik hier als geneesheer-directeur het laatste woord over de gedwongen opname van jongeren, hun verlof en over hun ontslag. Ook over een in te zetten dwangbehandeling moet vooraf met mij worden overlegd.’

Is het lastig om zulke cruciale beslissingen te nemen over patiënten die u niet kent?

‘Ik heb weinig rechtstreeks contact met de individuele patiënten in onze drie gesloten groepen, maar ik ga er wel regelmatig op bezoek en spreek dan uitgebreid met de behandelaars. Bovendien hebben we elke ochtend met alle behandelaars een telefonische vergadering over wat er de afgelopen 24 uur in de groepen is gebeurd. Hierdoor heb ik een redelijk beeld van de jongeren. Daar komt bij dat ik op papier de beslissingen neem, maar dat ik in de praktijk vrijwel altijd blind kan varen op het oordeel van de betrokken behandelaar.’

Hoe ervaart u de eindverantwoordelijkheid?

‘In het algemeen stimuleren wij verlof, want hoe langer je een kind uit de thuissituatie weghoudt, hoe moeilijker het voor hem of haar is om er later op een goede manier in terug te keren. Maar iemand met verlof sturen, brengt altijd een zeker risico met zich mee. Soms worden patiënten thuis boos en agressief, of juist somber en suïcidaal. Dat is niet altijd te voorzien, maar we kunnen wel proberen om de kans daarop zo klein mogelijk te maken. Ik let bijvoorbeeld goed op dat het voor behandelaars geen vanzelfsprekendheid wordt om patiënten met verlof te sturen. We moeten ons voortdurend blijven afvragen hoe veilig het is. Daarom druk ik behandelaars op het hart om alle overwegingen goed in het dossier te beschrijven; de voordelen, maar ook de te verwachten problemen van een beslissing.’

Heeft u wel eens het gevoel dat u zelf te gemakkelijk toestemming gaf aan een verlof?

‘Incidenteel, maar ik denk vaker: deze jongen of dit meisje had wel eerder met verlof gekund. Bij het nemen van zo’n beslissing ga ik nooit over één nacht ijs en als het heel lastig is, kan ik overleggen met een ervaren collega geneesheer-directeur. Is de beslissing eenmaal genomen, dan heb ik geen last meer van twijfels. Ik weet dan dat ik alle voors en tegens heb afgewogen, en dat een eventuele negatieve uitkomst niet het gevolg kan zijn van mijn tekortschieten.’

Karakter neemt jaarlijks ongeveer honderd jongeren gedwongen op. Combineert u deze functie met ander werk?

‘Ik ben voor bijna de helft van mijn werktijd uitvoerend psychiater gebleven. Ik zou ook niet anders willen, want hoe leuk de baan van geneesheer-directeur ook is, je mist het patiëntencontact, dat is waarom ik dit werk ben gaan doen.
‘Ik heb moeite met de administratieve rompslomp’
Bovendien nemen mijn formele taken ook maar een beperkt deel van mijn werktijd als geneesheer-directeur in beslag. De meeste tijd besteed ik aan het informeren en helpen van behandelaars; door ze uit te leggen wat de regels zijn en met hen mee te denken over lastige dilemma’s. Als een behandelaar en patiënt het bijvoorbeeld oneens zijn over de in te zetten behandeling, dan word ik vaak ingezet als mediator.’

Als een soort ombudsman?

‘Zo voel ik me inderdaad regelmatig. We hebben ook patiënt-vertrouwenspersonen in dienst. Zij staan bij een conflict altijd aan de kant van de patiënt. Ik neem een tussenpositie in en houd beide partijen voor wat de regels zijn. Ik krijg ook veel telefoontjes van behandelaars – soms midden in de nacht – die mij vragen om regels uit te leggen, of om mee te denken over juridische, ethische of inhoudelijke dilemma’s. Maar ik word ook door patiënten gebeld, vooral door hun ouders.’
https://static-content.springer.com/image/art%3A10.1007%2Fs41480-020-0232-y/MediaObjects/41480_2020_232_Fig2_HTML.jpg

U zult ook beslissingen moeten nemen waarmee behandelaars niet zo blij zijn. Leidt dat wel eens tot conflicten?

‘Niet vaak, maar het komt voor, met name als ik behandelaars moet vertellen dat iets niet zo snel kan als zij zouden willen. Zo moet ik psychiaters soms afremmen bij het inzetten van een dwangbehandeling, want patiënten moeten dan wel eerst de tijd krijgen om met hun patiënten-vertrouwenspersoon te overleggen, om mij te bellen en om eventueel een klacht in te dienen. Ook moet ik de aanvraag toetsen en indienen bij het OM. Dat schrijft de wet nu eenmaal voor.
Wat ook voorkomt, is dat een gesloten jeugdzorginstelling bij ons een aanvraag doet voor gedwongen opname van een van hun patiënten, terwijl onze psychiater vindt dat die jongere gezien zijn of haar problematiek niet bij ons thuishoort. Die psychiater kan daar best gelijk in hebben, maar toch kan ik vinden dat opname bij ons – gegeven de alternatieven – voor zo’n jongere op dat moment de minst slechte oplossing is. In zo’n geval krijg ik het laatste woord en dat vindt een psychiater niet altijd leuk. Gelukkig komt dat maar zelden voor, maar soms kan het niet anders. Dat is ook een verantwoordelijkheid van een geneesheer-directeur.’

U overlegt behalve met collega’s binnen de instelling ook regelmatig met burgemeesters, de politie, het OM, advocaten en rechters. Hoe gaat dat?

‘Een van de aantrekkelijke kanten van mijn werk is dat ik soms ook een kijkje in andermans keuken kan nemen. Wat mij daarbij vooral opvalt, zijn is de grondig andere stijl van communiceren in die omgeving. Politiemensen die gillend gek worden van ons softe, verhullende taalgebruik, terwijl wij hen juist veel te direct en confronterend vinden. Ik vind het erg leuk om daar tussenin te zitten, zeker omdat ik zelf met politiemensen en officieren van justitie prima zaken kan doen; er zitten nooit verborgen lagen in de communicatie.
https://static-content.springer.com/image/art%3A10.1007%2Fs41480-020-0232-y/MediaObjects/41480_2020_232_Fig3_HTML.jpg
‘Er wordt soms oeverloos gepraat over waar een jongere thuishoort’
Toch kan een dergelijk overleg soms ook lastig zijn omdat er vanuit politie en justitie soms hele terechte vragen worden gesteld waarop ik hen het antwoord schuldig moet blijven. Waarom wij jongeren niet altijd snel kunnen opnemen, willen zij dan bijvoorbeeld weten. Soms kan ik dat uitleggen, maar soms deel ik die frustratie. Een belangrijke oorzaak is dat wij in Nederland gescheiden circuits hebben voor de jeugdzorg en jeugdpsychiatrie, waardoor er soms oeverloos wordt gepraat over waar een jongere thuishoort, terwijl de patiënt ondertussen maar thuis zit te wachten. Ik vind dat onaanvaardbaar. Het is een manco van ons zorglandschap en ik kan het mijn gesprekspartners niet uitleggen.’

Biedt de WVGGZ een oplossing?

‘Het is in elk geval goed dat de wet ons dwingt om het erover te hebben en om te zoeken naar samenwerking. Mede daardoor ontstaan er nu gelukkig steeds meer overkoepelende overleggen van de gesloten jeugdzorg, kinder- en jeugdpsychiatrie en gemeenten, waarbinnen gezamenlijk naar oplossingen wordt gezocht. Die overleggen hadden wat mij betreft al tien jaar geleden kunnen plaatsvinden.’
https://static-content.springer.com/image/art%3A10.1007%2Fs41480-020-0232-y/MediaObjects/41480_2020_232_Fig4_HTML.jpg
https://static-content.springer.com/image/art%3A10.1007%2Fs41480-020-0232-y/MediaObjects/41480_2020_232_Fig5_HTML.jpg
https://static-content.springer.com/image/art%3A10.1007%2Fs41480-020-0232-y/MediaObjects/41480_2020_232_Fig6_HTML.jpg

Dus u bent blij met de nieuwe wet?

‘In meerdere opzichten vind ik de wet een verbetering. Ik ben bijvoorbeeld erg enthousiast over dat een gedwongen behandeling ook buiten de kliniek mogelijk moet zijn, gewoon bij de jongere thuis. De teneur van de wet is dat we patiënten zo lang mogelijk thuis moeten proberen te behandelen, dat we ze mee moeten laten beslissen, en dat ook hun familie meer in de besluitvorming moet worden meegenomen. Helemaal mee eens.
Ik heb alleen moeite met de administratieve rompslomp die de wet met zich meebrengt. Als iemand op grond van de crisismaatregel gedwongen wordt opgenomen, moet hij of zij na opname een brief krijgen, drie dagen later dezelfde brief en als de patiënt langer moet blijven weer dezelfde brief. De wetgever ontkent het natuurlijk, maar ik schat dat de wet ruwweg een verdubbeling van de administratieve lasten met zich meebrengt.’

We hebben tot nu toe uitsluitend over gedwongen opgenomen patiënten gesproken. Bent u ook verantwoordelijk voor andere patiënten?

‘Niet op patiëntniveau, maar ik ben wel medeverantwoordelijk voor de kwaliteit van alle geleverde zorg binnen Karakter. Dat is best ingewikkeld, want formeel ligt die verantwoordelijkheid bij de Raad van Bestuur. De RvB van Karakter heeft er echter voor gekozen om de geneesheer-directeur intensief bij het beleid te betrekken. Dat betekent in de praktijk dat ik elke twee weken een middag bij de RvB en de regiodirecteuren aan tafel zit en daar gevraagd – en soms ook ongevraagd – advies geef, zowel over het omgaan met incidenten als over het instellingsbeleid.’

U heeft de bevoegdheid om de RvB aan te spreken op haar beslissingen. Komt dat vaak voor?

‘Zelden. In de drie jaar dat ik hier nu als geneesheer-directeur werk heb ik één keer serieus bezwaar gemaakt tegen een voorgenomen besluit. Het ging om een behandelgroep waarop flink verlies werd gedraaid, en die de RvB onder andere om die reden wilde sluiten, terwijl ik vond dat door sluiting een te groot gat in de zorg zou ontstaan. Het tekent de goede sfeer binnen Karakter dat de RvB gevoelig was voor mijn argument en toen serieus heeft geïnvesteerd om de afdeling open te houden. Zo’n kwestie sterkt me in mijn overtuiging dat het beter is als de geneesheer-directeur geen lid is van de RvB. Als je medeverantwoordelijk bent voor het geld, is het heel verleidelijk om financiële overwegingen de doorslag te laten geven in je besluitvorming. Heel belangrijk is wel dat de sfeer goed is. De functie van geneesheer-directeur is een nachtmerrie als je geen goede relatie hebt met je RvB. Maar als de verhouding goed is, zoals hier, dan is het een fantastische baan.’