Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Reacties0

Nieuws door Marieke Hesseling & Ilse Wielaard

Premium

Acute psychologische hulp bij kanker

Dat het krijgen van een diagnose kanker vaak gepaard gaat met stress en psychologische problemen is bekend. Maar of het ook samengaat met een verhoogd risico op suïcide was nog niet eerder goed onderzocht. Een groep onderzoekers uit London bekeek daarvoor de data van bijna vijf miljoen kankerpatiënten (geregistreerd in het Verenigd Koninkrijk, tussen 1995 en 2015).1 Zij ontdekten dat 2491 van deze patiënten suïcide hebben gepleegd; een relatief klein percentage, maar iedere suïcide is er één te veel. Ook ontdekten zij dat het risico op suïcide onder kankerpatiënten 20 procent hoger is dan in de normale populatie. Het hoogste suïciderisico vonden zij voor longvlies-, alvleesklier-, slokdarm-, long- en maagkanker; vormen van kanker die vaak een slechte prognose hebben. Een andere belangrijke bevinding is dat de meeste van de suïcides plaatsvinden in de eerste zes maanden nadat iemand de diagnose kanker krijgt. Dit pleit voor betere acute psychologische hulp nadat iemand gediagnosticeerd is met kanker. De onderzoekers pleiten meer in het algemeen ook voor betere en meer toegankelijke psychologische ondersteuning voor alle kankerpatiënten.

Bron
  1. Henson, KE., e.a. (2019). Risk of Suicide After Cancer Diagnosis in England. JAMA Psychiatry, 76(1), 51-60.

Medische missers bij cognitieve stoornissen

 

In de verplegings- en verzorgingssector (V&V) komen dementie en cognitieve stoornissen veel voor. Toch is zelden onderzocht welke impact onopgemerkte cognitieve stoornissen kunnen hebben op de medische zorg. In een nieuwe studie onderzochten Zweedse onderzoekers de prevalentie van ‘diagnostisch gemiste’ cognitieve stoornissen in een verpleeghuis en gingen zij na of die prevalentie samenhangt met slechtere medische zorg.1 Hiervoor vergeleken zij drie groepen patiënten (totaal 438 deelnemers): 1) mensen met een diagnose dementie; 2) mensen zonder diagnose dementie, maar met een mogelijke cognitieve stoornis (mensen met een score van onder de 24 (van 30) op de Mini-Mental State Examination (MMSE); en 3) mensen zonder diagnose, met een MMSE-score onder de 24. De drie groepen verschilden in leeftijd, gewicht, lengte en in de hoeveelheid voorgeschreven medicatie. Opvallend is dat de mensen met een mogelijke cognitieve stoornis (groep 2) gemiddeld ouder waren dan de mensen uit de groep met een diagnose dementie (groep 1). Dit zou kunnen betekenen dat er minder aandacht is voor cognitieve stoornissen op hogere leeftijd. De mensen uit groep 2 kregen minder medicatie voor (mogelijke) dementie, maar ook minder medicatie voor een mogelijk onderliggend hartfalen. Overeenkomsten waren er ook; voor

Premium

Wil je dit artikel lezen?


    Al abonnee? Log dan in