Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Reacties0

Nieuws

Betekenisvolle uitkomstmaten | Psychose en bipolariteit vroeg herkend | De wiskunde achter verslaving | Vernieuwde zorgstandaard: psychische stoornissen en laag IQ
© MCStock / stock.adobe.com

Betekenisvolle uitkomstmaten

In de ggz is steeds meer aandacht voor het gebruik van uitkomstmaten die cliënten zelf als betekenisvol ervaren, in plaats van voor uitkomsten die louter symptomen in kaart brengen. Deze review biedt een overzicht van meetinstrumenten voor drie centrale domeinen: functioneren, kwaliteit van leven/welzijn en persoonlijke herstelervaring.1 Traditioneel richten diagnostiek en onderzoek zich vooral op categorische diagnoses, symptoomernst en klinisch beoordeelde uitkomsten. Dit sluit echter onvoldoende aan bij wat mensen met psychische problemen als belangrijk beschouwen. Daarom groeit de aandacht voor bredere, multidimensionale uitkomsten. Functioneel herstel verwijst naar observeerbare vaardig- heden in zelfzorg, sociaal functioneren en werk/opleiding. Persoonlijk herstel gaat over een subjectief gevoel van een betekenisvol, hoopvol en autonoom leven, ook wanneer de symptomen blijven bestaan. De auteurs beschrijven een breed palet aan transdiagnostische en stoornis-specifieke instrumenten, geselecteerd op psychometrische kwaliteit en toepasbaarheid in onderzoek én routinezorg.

https://static-content.springer.com/image/art%3A10.1007%2Fs41480-026-1949-z/MediaObjects/41480_2026_1949_Fig1_HTML.jpg
© ariya j / stock.adobe.com
Voor functioneren gaat het bijvoorbeeld om de WHODAS 2.0, SDS en FAST, voor kwaliteit van leven en welzijn om o.a. de EQ-5D, WHOQOL-BREF en WHO-5 en voor persoonlijk herstel om de INSPIRE-O, QPR en RAS. Hoewel er voor enkele stoornissen (zoals eetstoornissen, dementie en PTSS) bruikbare stoornis-specifieke schalen bestaan, blijkt het merendeel van de metingen transdiagnostisch. De auteurs zien belangrijke hiaten: beperkte inzet van cliëntperspectieven, weinig aandacht voor mantelzorgers, en het ontbreken van korte, schaalbare instrumenten die breed inzetbaar zijn. Daarnaast blijft persoonlijke herstelmeting onderbenut, terwijl dit domein essentieel is voor gepersonaliseerde zorg. In het artikel wordt gepleit voor systematische integratie van deze uitkomstmaten in zowel klinische praktijk als trials, zodat behandeling beter aansluit bij wat mensen willen bereiken en de kans op duurzaam herstel wordt vergroot.

Psychose en bipolariteit vroeg herkend

In een grote registerstudie is een transdiagnostisch voorspellingsmodel ontwikkeld dat het risico op een psychotische of bipolaire stoornis tegelijk kan inschatten, op basis van routinegegevens uit elektronische patiëntendossiers (EPD).1 De onderzoekers gebruikten gegevens van 127.868 patiënten uit de ggz in South London and Maudsley (2008–2021). Alle deelnemers kregen eerst een niet-organische, niet-psychotische en niet-bipolaire diagnose. Het model voorspelt het 6-jaarsrisico op een eerste psychotische of bipolaire stoornis aan de hand van verschillende kenmerken, waaronder leeftijd, gender, etniciteit, indexdiagnose, medicatie, opnames, en door ‘natural language processing’ (NLP) uit vrije tekst herkende symptomen en middelengebruik. Validatie vond plaats via interne-externe cross-validatie: het model werd telkens op vier ‘boroughs’ (wijken) getraind en op de vijfde getest. Binnen zes jaar ontwikkelde 2,5 procent van de patiënten een psychotische of bipolaire stoornis. Het model liet uitstekende discriminatie zien en goede kalibratie. Decision curve analysis liet zien dat het model klinische meerwaarde heeft: bij een risicodrempel van 10 procent levert gebruik van het model ongeveer drie extra vroeg gedetecteerde gevallen per 100 gescreende patiënten op. Een vergelijking met afzonderlijke modellen voor alleen psychose of alleen bipolair liet zien dat het transdiagnostische model minstens even goed presteert, terwijl het praktischer is in gebruik. Verdere externe validatie en implementatie- onderzoeken blijven volgens de onderzoekers wel nodig.

https://static-content.springer.com/image/art%3A10.1007%2Fs41480-026-1949-z/MediaObjects/41480_2026_1949_Fig2_HTML.jpg
© MCStock/ stock.adobe.com

De wiskunde achter verslaving

Waarom raken sommige mensen afhankelijk van middelen, terwijl andere mensen jarenlang stabiel matig gebruiken? Onderzoekers van de Universiteit Amsterdam ontwikkelden een wiskundig model dat laat zien welke factoren bijdragen aan het ontstaan, instandhouden en doorbreken van verslaving.1 De studie, gepubliceerd in Psychological Review, combineert twee factoren die tot nu toe vaak los van elkaar zijn onderzocht: interne besluitvorming en sociale beïnvloeding.

Volgens onderzoeker Jesse Boot ontwikkelt verslaving zich niet alleen binnen een persoon, maar ook tussen personen. Computersimulaties laten bekende patronen zien: langdurige stabiliteit in gebruik, geleidelijke toename van afhankelijkheid, plotselinge terugval of stoppen en een snelle verspreiding van gebruik via sociale netwerken. Het model verheldert ook waarom herstel vaak samenhangt met sociale verandering. Het verlaten van een groep waarin veel gebruikt wordt, kan herstel bevorderen. Beschikbaarheid van middelen blijkt bovendien pas problematisch wanneer deze samenvalt met verminderde controle.

https://static-content.springer.com/image/art%3A10.1007%2Fs41480-026-1949-z/MediaObjects/41480_2026_1949_Fig3_HTML.jpg
© photoopus/stock.adobe.com
De onderzoeksresultaten verhelderen hoe interne motivatie en sociale invloeden samen verslavingsgedrag kunnen sturen. Dit inzicht kan beleidsmakers helpen om effectievere preventiestrategieën te ontwikkelen. Ook helpt het behandelaren begrijpen waarom pogingen tot herstel zich niet uitsluitend op individuele inzet zouden moeten richten. Al met al onderstreept het model dat verslaving zowel een individueel als een sociaal proces is, waarbij meerdere factoren elkaar beïnvloeden.

Vernieuwde zorgstandaard: psychische stoornissen en laag IQ

Mensen met een laag IQ lopen een hoger risico op psychische stoornissen. De vernieuwde zorgstandaard Psychische stoornissen en laag IQ biedt handvatten om de ggz toegankelijker te maken voor deze doelgroep.1 Voor effectieve zorg is het belangrijk dat zorgprofessionals een laag IQ en adaptieve vaardigheden van de patiënt tijdig in kaart brengen en hun communicatie hierop afstemmen.

https://static-content.springer.com/image/art%3A10.1007%2Fs41480-026-1949-z/MediaObjects/41480_2026_1949_Fig4_HTML.jpg
© trattieritratti/stock.adobe.com
De standaard geeft praktische aanwijzingen voor signalering, screening en diagnostiek en biedt behandeladviezen die zijn afgestemd op het cognitieve niveau van de patiënt. Daarbij kan gedacht worden aan het gebruik van (beter) begrijpelijke taal, visuele ondersteuning en passende gesprekstechnieken. Bovendien bevat de nieuwe standaard links naar trainingen, relevante beslisbomen en een screening voor intelligentie en licht verstandelijke beperking (SCIL).
Samenwerking met naasten, begeleiders en professionals uit het sociale domein is essentieel voor goede, toegankelijke zorg. De vernieuwde standaard bevat een werkkaart met verwijs- lijnen op basis van het IQ én de ernst van de psychische klachten. De standaard helpt zorgprofessionals ook te bepalen wanneer doorverwijzing wenselijk is.
De naam van de standaard is veranderd van Psychische stoornissen en zwakbegaafdheid of licht verstandelijke beperking in Psychische stoornissen en laag IQ. Dit benadrukt de prioriteit van de hernieuwde zorgstandaard: de geestelijke gezondheid van de patiënt, ongeacht diens beperkingen.