Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Reacties0

Nieuws

Traumabehandeling bij psychose en PTSS | Centrale kennispagina over onbegrepen gedrag | Opluchting als versterker van vermijdingsgedrag | Therapeutische vaardigheden vs. therapietrouw bij depressie
© GoodIdeas / Stock.adobe.com

Traumabehandeling bij psychose en PTSS

Veel mensen met een psychose hebben in het verleden ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt, vaak in de vorm van interpersoonlijk geweld. Dergelijke impactvolle ervaringen kunnen leiden tot een posttraumatische stressstoornis (PTSS), met klachten als herbelevingen, vermijding en verhoogde prikkelbaarheid. Uit het promotieonderzoek van klinisch psycholoog Simone Burger blijkt dat trauma niet alleen vaak voorkomt bij mensen met een psychose, maar dat trauma ook samenhangt met ernstigere psychotische symptomen.1 Toch wordt trauma bij deze doelgroep in de praktijk lang niet altijd herkend en/of behandeld.

https://static-content.springer.com/image/art%3A10.1007%2Fs41480-026-1966-y/MediaObjects/41480_2026_1966_Fig1_HTML.jpg
© GoodIdeas / Stock.adobe.com
In haar onderzoek onderzocht Burger het effect van traumagerichte interventies zoals EMDR en exposuretherapie bij mensen met zowel PTSS als psychose. De resultaten lijken veelbelovend: de behandeling leidde tot afname van PTSS-klachten en verminderde in sommige gevallen psychotische symptomen, zoals het horen van stemmen. Tijdelijke verergering van PTSS-klachten kwam regelmatig voor, maar bleek geen voorspeller van een slechtere behandeluitkomst.
Patiënten beschreven de therapie als emotioneel zwaar, maar ook als betekenisvol en helpend. Het vertrouwen in de behandelaar en een passende begeleiding werden genoemd als belangrijke voorwaarden om de behandeling vol te houden.
Burger pleit voor gemakkelijkere toegang tot traumatherapie binnen de ggz. Zo zou bijvoorbeeld het standaard screenen op trauma bij psychotische klachten kunnen bijdragen aan het inzetten van passende traumasensitieve zorg. Ook lijkt tijdelijke klachtenverergering geen reden om therapie te vermijden; het kan juist onderdeel zijn van het herstelproces en vraagt om goede begeleiding in plaats van terughoudendheid.
Op dit moment vindt er een grootschalige vervolgstudie plaats waarin eerdere resultaten opnieuw worden getoetst.
Bron: 1.Burger, S. R. (2026). Exploring the journey from trauma to psychosis and recovery. PhD-Thesis – Research and graduation internal, Vrije Universiteit Amsterdam.

Centrale kennispagina over onbegrepen gedrag

De afgelopen jaren is er veel aandacht geweest voor mensen met onbegrepen gedrag. Hierbij gaat het over situaties waarin mensen de grip op hun leven dreigen te verliezen en daarbij het risico lopen zichzelf of anderen schade aan te richten. Sinds 2016 zijn er landelijke initiatieven gestart om betere zorg en ondersteuning te bieden aan mensen die hiermee te maken hebben. Dankzij de gezamenlijke inzet van professionals, (familie)ervaringsdeskundigen, beleidsmakers en onderzoekers is hierover sindsdien veel nieuwe kennis verkregen.

https://static-content.springer.com/image/art%3A10.1007%2Fs41480-026-1966-y/MediaObjects/41480_2026_1966_Fig2_HTML.jpg
© lightpoet / Stock.adobe.com

Deze kennis is recent gebundeld op de website van het Platform Sociaal Domein.1 De informatie is bedoeld voor iedereen die zich beroepsmatig of persoonlijk wil verdiepen in dit onderwerp. Op de pagina staat uitleg over onbegrepen gedrag, het aanpakken ervan en over belangrijke ontwikkelingen in het werkveld. Daarnaast wordt een overzicht gegeven van regionale netwerken en initiatieven rond het onderwerp en hebben bezoekers via de website toegang tot een kennisbank met interventies, rapporten, onderzoeken en trainingen.

Opluchting als versterker van vermijdingsgedrag

Vermijding speelt een centrale rol bij angststoornissen, vooral wanneer deze blijven voortbestaan ondanks het uitblijven van reëel gevaar. In dit experimentele onderzoek is onderzocht of relief, de opluchting na het uitblijven van een verwachte dreiging, bijdraagt aan aanhoudende vermijding van aangeleerde angst.1 In een sensorische preconditioneringstaak leerden 94 deelnemers twee neutrale prikkels (PS) te koppelen aan visuele signalen (CS), waarvan één prikkel later werd gecombineerd met een elektrische schok (dreiging). Deelnemers konden tijdens een testfase vermijden dat de CS verscheen door een vermijdingsrespons op de PS te geven. Uit zelfrapportages bleek dat deelnemers meer opluchting voelden bij PS die de bedreigende CS voorspelden, en dat zij deze PS ook sterker bleven vermijden, zelfs toen de dreiging feitelijk was verdwenen. Fysiologische maten (SCR en EMG) bevestigden dit effect echter niet. Een hogere mate van opluchting voorspelde persistent vermijdingsgedrag, specifiek gericht op de PS die de dreiging signaleerde. Tevens bleken angstklachten en intolerantie voor onzekerheid verband te houden met meer vermijding, maar niet met opluchting. Veranderingen in de ervaren valentie (onaangenaamheid) van de stimuli waren ook geassocieerd met vermijding en deels met opluchting. Deze bevindingen suggereren dat opluchting na dreigingsvermijding een bekrachtigende rol speelt in het onderhouden van vermijdingsgedrag, ook wanneer het gevaar feitelijk is verdwenen. Dit kan implicaties hebben voor behandelingen van angststoornissen: behandelaren kunnen aandacht geven aan de rol van opluchting. De auteurs pleiten voor meer onderzoek naar de rol van opluchting in het belemmeren van extinctie en voor het ontwikkelen van therapieën die deze mechanismen adresseren.

https://static-content.springer.com/image/art%3A10.1007%2Fs41480-026-1966-y/MediaObjects/41480_2026_1966_Fig3_HTML.jpg
© ink drop / Stock.adobe.com

Therapeutische vaardigheden vs. therapietrouw bij depressie

Hoewel CGT een bewezen effectieve behandeling is voor depressie, blijft het effect in de praktijk beperkt; minder dan de helft van de patiënten bereikt in CGT volledige remissie. In deze studie is onderzocht in hoeverre de kwaliteit van uitvoering (competentie) en de mate van therapietrouw samenhangen met de behandeluitkomsten bij CGT voor depressieve stoornis in een natuurlijke behandelsetting.1 In een RCT (N = 77) werden er per patiënt willekeurig twee therapiesessies geselecteerd (één uit het begin en één uit het eind van de behandelingen) en beoordeeld door twee onafhankelijke therapeuten, aan de hand van de CTACS-schaal. De behandeluitkomst werd gemeten a.d.h.v. het verschil in zelf-gerapporteerde depressiesymptomen (IDS-SR) tussen begin en eind van de behandeling. Resultaten toonden een significant verband tussen competentie en behandel- uitkomst, met een kleine maar betekenisvolle effectgrootte. Trouw aan het CGT-protocol daarentegen was niet significant gerelateerd aan de uitkomst. De bevinding ondersteunt eerdere meta-analyses waarin juist competentie – de vaardigheid van de therapeut om CGT-technieken effectief en flexibel toe te passen – samenhing met betere behandeluitkomsten bij depressie. Hoewel er methodologische beperkingen zijn (zoals matige interbeoordelaarsbetrouwbaarheid en hoge correlatie tussen trouw en competentie), geeft het onderzoek informatie over wat behandeling effectief maakt. De resultaten suggereren dat therapeuten mogelijk meer baat hebben bij training die gericht is op de kwaliteit van hun interventies dan op strikte naleving van protocollen. De auteurs pleiten dan ook voor meer aandacht voor het meten en bevorderen van competentie in de klinische praktijk. Hoewel steeds vaker standaardisatie van behandeling wordt nagestreefd, onderstrepen deze bevindingen het belang van professionele vaardigheid, klinische flexibiliteit en een afgestemde toepassing van CGT bij de individuele patiënt.

https://static-content.springer.com/image/art%3A10.1007%2Fs41480-026-1966-y/MediaObjects/41480_2026_1966_Fig4_HTML.jpg
© Diki / Stock.adobe.com