Een tuchtklacht tegen een psychiater benadrukt de risico's van het onderzoeken van familieleden, vooral bij juridische procedures. De uitkomst van de klacht roept vragen op over professionele verantwoordelijkheden.
Een psychiater vroeg een bloed- en urineonderzoek aan voor zijn broer die in een echtscheidingsprocedure verwikkeld was. Zijn broer wilde de uitslagen daarvan gebruiken in de echtscheidingsprocedure. Omdat de testresultaten onbruikbaar waren, liep de procedure vertraging op. Deze vertraging zorgde voor stress bij de ex-vrouw van de broer. Zij diende over dit alles een tuchtklacht tegen de psychiater in. In haar klacht verwees zij onder meer naar de KNMG-gedragscode, die stelt dat artsen in principe niet zichzelf of vrienden en familieleden zouden moeten behandelen.
Klacht niet-ontvankelijk
Het tuchtcollege verklaart haar klacht echter niet-ontvankelijk, wat inhoudt dat een klacht niet verder inhoudelijk in behandeling kan worden genomen. Daar heeft het tuchtcollege twee redenen voor. In de eerste plaats oordeelde het tuchtcollege dat er geen sprake was van een behandelrelatie tussen haar en de psychiater; en dan kan er dus ook niet sprake zijn van een handelen of nalaten in strijd met de zorg die de beroepsbeoefenaar behoort te verlenen (de zogenaamde eerste tuchtnorm). Een tuchtklacht kan ook gericht zijn op een handelen of nalaten in strijd met wat een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt, los van een eventuele behandelrelatie (de tweede tuchtnorm). In dat geval moet er wel een relatie bestaan met de individuele gezondheidszorg. Bovendien kan een klacht in dit geval alleen worden ingediend door iemand die rechtstreeks belanghebbende is. Daar was in dit geval volgens het tuchtcollege geen sprake van: “In dat kader moet beoordeeld worden of er aan de zijde van klaagster sprake is van een rechtstreeks belang dat

