Robertson en collega’s hebben kwalitatief onderzoek gedaan naar hoe zelfonthulling door therapeuten wordt beleefd door zowel patiënten als therapeuten zelf.1 In totaal namen 160 patiënten en 158 therapeuten deel aan deze studie. Zij reageerden op hypothetische scenario’s en beschreven eigen ervaringen met zelfonthulling in de praktijk. De resultaten lieten vier thema’s zien. Ten eerste maakt zelfonthulling therapeuten menselijker, maar gaat dit ten koste van hoe professioneel zij worden ervaren. Ten tweede schept zelfonthulling een open sfeer, maar kan de focus verschuiven van de patiënt naar de therapeut. Ten derde wordt een therapeut die eigen ervaringen deelt meer empathisch bevonden, maar ook minder competent. De auteurs duiden de voorwaarden waaronder zelfonthulling als ‘precies goed’ wordt ervaren: behandelaren kunnen beter pas onthullen nadat er voldoende therapeutische alliantie is opgebouwd, zouden hierin beknopt en relevant moeten blijven en uitsluitend ervaringen moeten delen waarvan de behandelaar is hersteld. Dit laatste bleek bijzonder belangrijk: onthulling van een hersteld probleem biedt cliënten hoop, terwijl het delen van actuele klachten eerder ontmoedigend werkt en twijfel oproept over de competentie van de therapeut. De auteurs concluderen dat zelfonthulling potentieel waardevolle effecten heeft, maar dat hieraan ook specifieke risico’s kleven. Zij pleiten voor duidelijkere richtlijnen en voor het doorbreken van het stigma op psychische problemen bij hulpverleners.
Bron:
1. Robertson, A. M., e.a. (2026). Goldilocks disclosures: A qualitative exploration of when therapist self-disclosure of lived experience is “just right”. Psychological Services, 23(2), 375.

