Narcisme lijkt inmiddels een soort generieke term te zijn geworden, een term die te pas en te onpas wordt gebruikt.
‘Dat klopt. Vaak worden een sterk individualisme, grote zelfgerichtheid en misschien ook een onrealistisch hoge zelfwaardering verward met narcisme, waardoor het tegenwoordig soms wel lijkt alsof iedereen narcistisch is. Iemand die op zijn mobieltje kijkt en daardoor tegen een ander op botst, is dan bij wijze van spreken al snel een “stomme narcist”. Maar als het in de ggz over een narcistische-persoonlijkheidsstoornis gaat, dan spreek je over mensen die worden gekenmerkt door een kwetsbaar, irreëel zelf. Zij hebben vaak moeite om de problemen die daardoor ontstaan te reguleren en zien anderen als een bedreiging voor het zelf. Hèt kenmerk van narcisme is dat je aan jezelf genoeg hebt en geen wederkerig contact met anderen wilt; dat is de onderliggende dynamiek van narcistische symptomen. Narcisme komt vaak voort uit teleurstellende ervaringen die zijn opgedaan in de vroege jeugd, waarbij ouders niet adequaat hebben gereageerd op wat een kind nodig had. Een kind heeft een blij gezicht nodig; heeft er behoefte aan dat zijn ouders genieten van zijn zelfstandigheid, van het zelf willen. Een kind verlangt naar de ouderlijke blik die laat weten: jij mag denken wat je wilt en je mag doen wat je wilt, maar ik geniet van jou. Maar als een ouder zelf bijvoorbeeld narcistische trekken heeft, depressief is of er om een andere reden niet voor het kind is of kan zijn, dan

