Zoë heeft als afscheid iets prachtigs gemaakt, iets om toe te voegen aan de verzameling tekeningen die ik van (de meestal jonge) cliënten op de kastdeur van mijn praktijk heb hangen. Het is een heel klein schilderijtje op een even zo klein ezeltje, met een prachtig bloeiende boom erop.
In deze rubriek vertellen behandelaren over een cliënt van wie zij iets geleerd hebben. Merijn van de Vliet is psychotherapeut en gz-psycholoog bij het Kinder-en Jeugdtraumacentrum van Kenter Jeugdhulp in Heemskerk.
Het is het therapie-afscheid van de nu 22-jarige Zoë. Drie jaar geleden is ze naar ons verwezen door het Centrum Seksueel Geweld, voor ‘een kort behandeltraject’ (vertrouw nooit iemand die een casus op die manier overdraagt). Zoë heeft veel te veel nare dingen meegemaakt: seksueel misbruik en andere onveilige situaties, maar ook veel gedoe thuis. Van sommige situaties kan ze nu inzien dat ze daar door eigen impulsiviteit en lichte ontvlambaarheid in terecht is gekomen, maar er is voornamelijk heel veel pech, pech, pech.
Samen kijken we terug en lachen om de keer dat ik zo ‘dom’ was geweest om weer eens te opperen om haar ouders bij de behandeling uit te nodigen; om wat dingen uit te spreken en/of begrip van hen te vragen voor de chaos in haar hoofd, of iets in die trant. Dat ze toen een kwartier tegen me heeft staan schreeuwen. Werkelijk woest stond ze voor de stoel waar ik op zat, met haar 21 jaar, 1.85 meter en lange haren. Want: hoe kon ik dat nou wéér opperen? Aan gezinsgesprekken had ze toch een pesthekel door slechte eerdere hulpverleningservaringen. Hoe haalde ik het in mijn botte kop om dát nog een keer ter sprake te brengen? Ik vertel haar dat ik toen vanuit mijn ooghoek een collega bezorgd door het miniruitje in mijn praktijkruimte zag kijken op het moment dat ze schreeuwde: “Ik ga nu weer zitten, maar dat je maar weet, dit is de eerste keer dat ik dat doe!“.
Bij het afscheid vraag ik Zoë waarom ze toen weer is gaan zitten. Ze zegt: “Jij wordt nooit boos terug op mij. Jij hebt steeds mijn tempo gerespecteerd, ook als ik afspraken vergat of niet kwam omdat ik wilde vermijden.“ En: “Je legde altijd uit waaròm je moeilijke onderwerpen ter sprake bleef brengen“.
Ze vraagt hoe ik haar woede destijds heb ervaren, waarop ik antwoord dat als iemand boos op mij is, het alarmsysteem in mijn lichaam en hoofd ook hard gaat loeien en dat ik ook moest schakelen toen ze toch ging zitten en blééf. “Ach, soms matcht de vorm de inhoud niet, totaal niet. En op dat soort momenten moet je goed luisteren om te horen wat iemand nou bedoelt.” Maar ik vertel ook dat ik het vertrouwen had dat we er wel uit gingen komen samen.
Zoë heeft als afscheid iets prachtigs gemaakt, iets om toe te voegen aan de verzameling tekeningen die ik van (de meestal jonge) cliënten op de kastdeur van mijn praktijk heb hangen. Het is een heel klein schilderijtje op een even zo klein ezeltje, met een prachtig bloeiende boom erop. “Omdat ik door jou weer ben gaan bloeien”, zegt ze. Ik zeg dat ik ‘haar bloeien’ ook zie, maar ook dat ik (heel recent) heb gehoord dat de wortels onder een boom bijna een net zo grote boom ondergronds vormen als erboven. En dat ik het idee heb dat ze meer geworteld is in de afgelopen drie jaar. Samen pinken we een traantje weg; afscheid met een strik eromheen.

