Een diagnose is een middel om de zorg te organiseren en zorgt voor een gedeelde terminologie, maar een diagnose is niet het eindpunt van het begrijpen. In de praktijk is die nuance soms zoek. Bij de diagnostiek leunt de ggz op gedragscriteria, formulieren, screeningslijsten en indrukken. De DSM-criteria voor autisme beschrijven wat je aan de buitenkant aan mensen ziet, zoals een moeizame sociale wederkerigheid, beperkte interesses, herhaling van gedrag en behoefte aan voorspelbaarheid. Hoewel deze criteria nuttig en noodzakelijk zijn, bieden ze onvoldoende inzicht in de achterliggende redenen van iemands gedrag, want twee mensen kunnen zich om verschillende redenen hetzelfde gedragen. Wie alleen naar het gedrag van mensen kijkt, loopt een reëel risico op over- of onderdiagnostiek.
Autisme: diagnose gemist of gemaskeerd?
Autisme wordt vaak over- of ondergediagnosticeerd. Hoe kan dat gebeuren, en hoe helpt het ‘voorspellende brein' perspectief ons om bij de diagnostiek van autisme scherper te differentiëren, zonder daarbij de persoon achter het label uit het oog te verliezen?
De oplossing is niet om meer of minder te diagnosticeren, maar om anders te diagnosticeren; door iemands gedrag te bezien in de context van diens ontwikkelingsgeschiedenis, persoonlijke beleving en neurocognitieve stijl. Van de behandelaar vraagt dat om vertraging, doorvragen, het toetsen van hypothesen en om te durven twijfelen. Classificatie blijft nuttig om de toegang tot zorg te borgen, maar is pas waardevol wanneer we daarmee tegelijk zichtbaar maken hoe iemands brein informatie verwerkt en spanning reguleert.
Uitgangspunt van het voorspellende-breinmodel (predictive processing) is dat ons brein continu voorspellingen maakt over de wereld, en dat binnenkomende prikkels worden vergeleken met onze verwachtingen. Waar verwachting en werkelijkheid samenvallen, voelt het veilig; waar deze botsen, moet het brein bijsturen. Bij veel mensen met autisme verloopt dat bijsturen

