Slaap verandert met leeftijd en in onze prikkelrijke 24-uurs maatschappij kan slaap een uitdaging zijn. In dit artikel behandelen de auteurs de werking van slaap en leggen zij uit hoe je als behandelaar kunt omgaan met slaapproblemen bij cliënten.
Slaap is een natuurlijke, terugkerende toestand van verminderde waarneming, informatieverwerking en motorische activiteit waaruit iemand gewekt kan worden.1 De regulatie van slaap wordt beschreven in het Twee-procesmodel.2 Enerzijds neemt de slaapdruk toe naarmate we langer wakker zijn (proces S). Anderzijds stuurt het circadiane ritme (ongeveer 24 uur) de biologische klok aan die het slaap-waakritme met de omgeving synchroniseert, wat gebeurt met behulp van licht en andere ‘Zeitgebers’, zoals metabolisme en beweging. Sinds de jaren vijftig is bekend dat slaap uit verschillende stadia bestaat, met voor elk stadium een kenmerkende hersenactiviteit. Deze verschillende stadia vervullen belangrijke functies voor onder meer het geheugen, verwerking van ervaringen en herstel3.
Grofweg wordt er bij slaap een onderscheid gemaakt tussen non-REM en REM-slaap. Bij pasgeborenen spreekt je van actieve en stille slaap. Bij kinderen tot ongeveer vijf jaar oud ontwikkelt zich geleidelijk de typische slaaparchitectuur, met non-REM/REM en aansluiting op het 24-uursritme. Non-REM bestaat uit lichte slaap en diepe traaggolfslaap, waaruit vooral jonge kinderen moeilijk te wekken zijn. REM-slaap wordt gekenmerkt door spierslapte, snelle oogbewegingen, wakker-achtige hersenactiviteit en vooral door levendige dromen.
Slaapduur bij baby’s kan variëren tussen ongeveer 9 en 19 uur en bij adolescenten tussen 6.5 en 9.5 uur.4 Uit onderzoek weten we dat

