Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Reacties0

Twee keer per week psychotherapie voor depressie effectiever dan één sessie per week

webredactie
webredactie
30 april 2021 is de promotie van Sanne Bruijniks, aan de VU. Haar onderzoek Improving outcomes in psychotherapy for depression wijst uit dat een frequentie van twee sessies in plaats van één sessie per week leidt tot betere behandeluitkomsten in psychotherapie voor depressie.

Het reorganiseren van Cognitieve Gedragstherapie (CGT) en Interpersoonlijke Therapie (IPT) voor depressie naar een frequentie van twee sessies per week zal drop-out, response en uitkomsten van de behandeling kunnen verbeteren. Daarnaast lijkt het individuele leervermogen van de patiënt een belangrijke rol te spelen in het voorspellen van behandeluitkomst, en blijken verschillende patiënten te profiteren van verschillende psychotherapieën.

Verbeteren effecten psychotherapie
Bruijniks onderzocht voor haar promotieonderzoek verschillende manieren om de effecten van psychotherapie voor depressie te verbeteren. Resultaten van een groot Nederlands onderzoek in de specialistische GGZ lieten zien dat het verhogen van de sessiefrequentie leidt tot minder uitval tijdens therapie en snellere en betere behandeluitkomsten direct na behandeling. Andere studies in haar proefschrift richtten zich op de implementatie en kwaliteit van therapie in Nederland en lieten zien dat beide in Nederland mogelijk suboptimaal zijn.

Verschillende sessiefrequenties per patiënt
Een ander belangrijk onderwerp in Bruijniks’ onderzoek was de rol van het leervermogen van de patiënt in de uitkomsten van psychotherapie voor depressie. Bruijniks: “In meerdere studies bleek dat werkgeheugen een belangrijke rol kan spelen in het voorspellen van therapie-uitkomst. Een aantal van die studies in mijn onderzoek was gericht op het voorspellen van voor welke patiënt welke behandeling het beste werkt. Hieruit bleek onder andere dat voor verschillende patiënten verschillende sessiefrequenties optimaal lijken te zijn, en dat patiënten verschillen in de mate waarin therapeutische processen belangrijk zijn in het voorspellen van de therapie-uitkomst. Vervolgonderzoek is wel nodig voordat variabelen zoals leervermogen en modellen die voorspellen voor wie welke sessiefrequentie het beste werkt in de klinische praktijk kunnen gebruiken.”

Bron: VU

Gerelateerde informatie